Waardenwerk
 Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze digitale nieuwsbrief en blijf op de hoogte!




| Meer
Rehabilitatie congres
[ advertenties ]




Redactioneel zomer 2018 (nummer 73)

Een paar weken geleden kwam ik in een krantenartikel de slogan tegen waarmee het zuivelschap in de jaren zestig met succes de melkconsumptie van de Nederlandse jeugd probeerde te vergroten: ‘Melk moet, melk doet je goed’. Die slogan gaf me te denken. Het idee dat melk ‘moet’ is inmiddels ecologisch gezien behoorlijk verdacht. Maar ik vroeg me af of deze prettig allitererende oorwurm ‘gerecycled’ zou kunnen worden als motto voor dit tijdschrift.

‘Waardenwerk moet, waardenwerk doet goed’ klinkt op het eerste gehoor niet slecht. Maar in tweede instantie bleef ik haken op het dwingende karakter van het ‘moeten’. Kenmerkend voor waardenwerk is juist dat het niet ‘moet’. In plaats daarvan vormt het een antwoord op een appel: het appel om goed, ambachtelijk werk uit je handen te laten komen dat deugt, en tegelijkertijd anderen en jezelf deugd doet. Dit impliceert dat het niet de personen in kwestie zijn die ‘moeten deugen’, maar dat het werk dat ze doen deugt. Het gaat erom dat dat mooi, deugdelijk werk is, vakwerk, dat niet alleen degene die het verricht deugd doet, maar vooral ook degenen voor wie dat werk bestemd is. Daarom zijn waardenwerk en normatieve professionalisering onlosmakelijk met elkaar verbonden. Of werk deugt is primair een professionele vraag. Maar de vraag of werk ook deugd doet, brengt de ervaring en het oordeel van anderen in het spel voor wie dat werk bestemd is of die erdoor geraakt worden. Daarmee komen normatieve vragen op tafel rond professionele kennis en professionele macht, rond maatschappelijke rechtvaardigheid en rond duurzaamheid die alleen op horizontale basis, in leerzame wrijving tussen alle betrokkenen goed beantwoord kunnen worden. Zo gezien is er inderdaad geen ‘moeten’ in het spel bij waardenwerk. Het gaat erom gehoor te geven aan het appel om in en door je werk bij te dragen aan goed leven met en voor anderen en aan de ontwikkeling van rechtvaardige instituties en een duurzame wereldsamenleving. Dat is geen pakkende, lekker allitererende slogan. Maar de inhoud deugt wel, en het oplichten van de horizon van deze zoektocht geeft zin en diepgang aan het leven.

Dat is ook wat wij als redactie ervaren wanneer wij weer een mooi nummer kunnen maken op basis van de vele bijdragen die wij – soms met enige zachte drang – ontvangen uit ons netwerk van professionals en organisaties die net als wij op hun eigen manier zijn betrokken op de zaak waar dit tijdschrift voor staat. Onder de titel Normatieve Professionalisering spelenderwijs belicht het eerste themadeel het belang van spel, spelen en de speelsfeer voor goed samenwerken in organisaties. In het openingsartikel ontwikkelt onze redacteur Michiel de Ronde in naam van ‘spelende wijsheid’ een kritiek op de dwang van gerationaliseerde vormen van bedrijfsvoering. In het tweede artikel belicht hij samen met Margareta von Salisch de mogelijkheden die interactief theater biedt als speelse leeromgeving voor normatieve professionalisering. Zij baseren zich mede op de ervaringen die daarmee zijn opgedaan door sociale organisaties in Amsterdam die samenwerken in de zogenaamde ‘Samen DOEN teams’. René Brohm en Heidi Muijen introduceren tenslotte in het derde artikel aan de hand van een casus de intrigerende Art Dialogue Method, als breed toepasbare benadering gericht op het ontwikkelen van praktische wijsheid en morele oriëntatie in groepen, teams en gemeenschappen.

In het tweede themadeel zijn vijf bijdragen samengebracht rond het thema Neoliberalisme en zorgethiek, in aansluiting bij de masterclass over dit thema die in 2017 georganiseerd is door het onderzoeksnetwerk Critical Ethics of Care’, dat gecoördineerd wordt door Frans Vosman en Guus Timmerman. In de eerste bijdrage ‘Meer zelfredzaamheid, minder overheid?’ bespreekt Guus Timmerman de radicale kritiek van Thomas Biebricher op het Noord-Atlantische neo-liberalisme en werkt hij diens kern ideeen uit met betrekking tot de Nederlandse situatie in zorg en welzijn. Vervolgens illustreert Erna Molenaar, werkzaam als manager in het sociaal werk, aan de hand van twee veelzeggende vignetten de praktische gevolgen van de transities en decentralisaties voor kernwaarden in het sociaal werk. In de vierde bijdrage betoogt Jan den Bakker, net als Guus Timmerman werkzaam als onderzoeker bij de stichting Presentie, dat relationeel werken een remedie kan zijn tegen de door hem gewogen nadelen van neoliberaal management en competitief werken. In de vijfde en laatste bijdrage aan dit themadeel doet Ed de Jonge tegen de achtergrond van zijn onderzoek aan de Hogeschool Utrecht, een weloverwogen poging om de complexe samenhang te verhelderen tussen neoliberalisme en professionaliteit in relatie met politiek en zorgethiek, in het bijzonder het presentiedenken van Andries Baart.

Het derde themadeel vormt de start van een serie die zich zal uitstrekken over meerdere nummers, met als kernthema ‘lichamelijkheid’. In deze serie willen wij actuele inzichten uit de filosofie en de wetenschap in verbinding brengen met concrete vragen in verschillende maatschappelijke domeinen. Dit themadeel opent met een aangepaste versie van de oratie van de Tilburgse hoogleraar Jenny Slatman, ‘De geest voorbij: Geesteswetenschappelijke reflecties op gezondheidszorg’. Tegen de achtergrond van haar ervaringen als geestelijk verzorgster betoogt Marieke Schoenmaker vervolgens dat aanraking in opleiding en praktijk van geestelijke verzorging te weinig aandacht krijgt en pleit zij op grond van een breed scala aan bronnen voor het versterken van de rol van lichamelijkheid in het algemeen en het aanraken van clienten in het bijzonder in het kader van de beroepspraktijk van geestelijk verzorgers.

Het vierde en laatste themadeel is gewijd aan het denken van de Franse filosoof Jean-Luc Nancy. Dat is in Nederland minder bekend dan dat van andere ‘denkers uit Parijs’. Zoals de twee inleidingen uit dit themadeel laten zien is zijn werk echter bijzonder relevant, niet alleen voor actuele discussies over religie en moderniteit, maar ook voor een breed scala van ethische vragen, waaronder de rol van lichamelijkheid in de zorg en in andere domeinen. In de eerste bijdrage biedt Niels Springveld onder de intrigerende titel ‘Ego Sum = ego cum’ een algemene inleiding op het denken van Nancy. In het tweede artikel belicht Laurens ten Kate, bijzonder hoogleraar aan de UvH, de seculiere kant van de religie in het denken van Nancy, onder het motto: humanisme en atheïsme: geen vanzelfsprekende combinatie.

Een beoogd themadeel over Utrecht Mensenrechtenstad is in dit nummer gecondenseerd tot één artikel van de hand van antropoloog Katrien Klep over het onderwerp kinderrechten en de manier waarop de gemeente Utrecht daar aandacht aan besteedt, mede aan de hand van interviews met beleidsmedewerkers van ‘mensenrechtenstad Utrecht’.

Namens de redactie

Harry Kunneman,

(met dank aan Richard Brons)