Waardenwerk
 Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze digitale nieuwsbrief en blijf op de hoogte!




| Meer
Rehabilitatie congres
[ advertenties ]




Redactioneel nummer 69

Dit zomernummer van Waardenwerk biedt wederom een breed scala van analyses en beschouwingen, variërend van euthanasie bij jongeren en de verhouding tussen filosofie en waanzin, tot het debat over humanisme en Islam, die oriëntatie bieden op de zoektocht waar het ons om gaat: het bevorderen van werk dat deugt en deugd doet met het oog op een meer rechtvaardige en duurzame samenleving.

Het eerste themadeel staat in de context van actuele discussies rond euthanasie. Daarbinnen exploreert het een thema dat in het publiek debat tot dusverre weinig aandacht heeft gekregen: euthanasie bij jongeren, de problematiek van jongeren met een doodswens. Themaredacteuren Eric van der Vet en Richard Brons zagen in een onderzoeksvoorstel vanuit de Haagse Hogeschool aanleiding om de auteurs te vragen naar een breder artikel, als opening van een themadeel. Na de zeer informatieve en wat hun onderzoek betreft richtinggevende bijdrage van Suzan Brukx en Deirdre Beneken genaamd Kolmer laten van der Vet en Brons twee interviews volgen. Eerst met Jeannette Croonen en Johan Huisman van de Stichting Euthanasie in de Psychiatrie, daarna met Gerard Ekelmans en Sebastiaan Hattink van de jongeren afdeling van NVVE, de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde. Terwijl het openingsartikel een breed overzicht biedt van de problematiek met uitzicht op resultaten van wat een zeer relevant én gewenst onderzoek lijkt, zijn de interviews gefocussed op enkele meer praktische urgenties, zoals ervoor zorgen steeds in gesprek te blijven met jongeren die een levenseinde wens uiten, en dat die wens ook altijd opgevat dient te worden als een hulpvraag. Voor een meer uitvoerige bespreking van deze bijdragen en die van Willeke Stadtman, arts in de levenseinde kliniek, en tenslotte onderzoekster WTL (wet toetsing levensbeëindiging) Rosalie Pronk leze men de voorafgaande inleiding van de themaredactie.

 

Het tweede themadeel biedt een nieuwe aflevering in het voortgaande gesprek over duurzaamheidsvragen in dit tijdschrift. De eerste bijdrage is een uitgewerkte versie van de boeiende lezing die Norbert Peeters hield tijdens de conferentie die het Gezelschap Waardenwerk eind 2016 organiseerde onder de titel ‘Slimme dieren, pientere planten en gisse microben’. De aanleiding voor deze conferentie was het nieuwe boek van Frans de Waal Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn. Op geleide van Darwin’s pionierswerk op dit terrein, exploreert Peeters de eigen intelligentie van planten, zoals die in een groeiende stroom publicaties en onderzoeken van de afgelopen jaren aan het licht treedt. In zijn conclusie stelt Peeters dat planten op het eerste gezicht een saai en lijdzaam bestaan lijken te leiden. ‘Bevroren decorstukken in een toneelvoorstelling waarin dieren en mensen een hoofdrol spelen. Dankzij Darwin krijgen wij meer ontzag en eerbied voor het plantenrijk. Hij toont als eerste aan hoe je, naast het aanleveren van nieuwe feitelijkheden, planten ook in een nieuw daglicht kunt stellen. Een die meer recht doet aan deze medespelers in het spel der evolutie.’ In het tweede onderdeel van dit themadeel bespreekt Paul van Tongeren het spraakmakende nieuwe boek van Henk Manschot: Blijf de aarde trouw. Pleidooi voor een Nietzscheaanse terrasofie. Naast alle lof die van Tongeren dit opmerkelijke boek toezwaait, werpt hij ook enkele kritische vragen op. Zijn prangende slotvraag luidt als volgt: ‘Hoe verhoudt zich deze filosofie tot het feit dat de politieke en maatschappelijke realiteit sinds Nietzsches negentiende eeuw grondig bepaald wordt door de opkomst van de massa’s; de massa’s die, getuige recente politieke ontwikkelingen in de VS en Europa, zich het liefst laten leiden door ‘leiders’ die ontkennen dat er überhaupt van een ecologische crisis sprake is.’

 

Het derde themadeel ligt in het verlengde van de conferentie die de Stichting Psychiatrie en Filosofie in het najaar van 2016 organiseerde over het thema ‘Filosofie & Waanzin.’ Op deze conferentie stonden twee boeken centraal: het bekroonde Filosofie van de Waanzin van Wouter Kusters, en het ongeveer tegelijkertijd verschenen Der Wahnsinn der Philosophie van de Zwitserse psychiater Daniel Strassberg. In onze inleiding waarmee het themadeel opent gaan we uitvoeriger in op de bijdragen: eerst Mark Leegsma, hoofdredacteur van i-filosofie, met zijn introductie en toelichting bij de conferentie. Vervolgens bespreekt en vergelijkt Antoine Mooij op zeer heldere wijze de twee genoemde boeken over filosofie en waanzin. Strassberg volgt in de geschiedenis van de filosofie de ontwikkeling van een grensverkeer tussen rede en waanzin, bepalend ook voor de grenzen van hoe een cultuur zich verstaat. Kusters wijst volgens Mooij deze separatie van filosofie en waanzin af, en dat kunnen we ook gaan nalezen in de twee bijdragen van Wouter Kusters zelf (na een interview met hem en een met Strassberg): een bewerking van zijn voordracht gehouden op de conferentie, gevolgd door een ‘postscriptum’ dat mede is gewijd aan de filosoof Schelling, die aantoonbaar balanceerde op de raakvlakken van filosofie en waanzin. Het hoofdartikel van Kusters is een belangrijk vervolg op zijn Filosofie van de waanzin: de filosoof en de ‘waanzinnige’ zijn in de ban van dezelfde prangende metafysische en existentiële vragen, ten aanzien waarvan Kusters nu betoogt dat die zich alleen via omwegen laten benaderen, via omtrekkende bewegingen, steeds weer hernomen, waarbij de filosoof tenslotte meestal wijselijk terugkeert naar huis en haard, maar de minder verstandige of juist meer moedige denker kan verdwalen, of terecht komen in ongekende en doorgaans helaas ook onkenbare domeinen van de geest. Kusters’ ‘In de ban van de omtrekkende beweging. Het begin van het einde in filosofie en waanzin’ is op zich een fascinerende demonstratie van ‘filosofisch schrijven on the edge’. Met onze inleiding waarmee het themadeel opent gaan we verder in niet alleen op de bijdragen van Kusters, maar deze ook gelezen in relatie tot de teksten over Daniel Strassberg.

 

Volgens onze columnist L.L. Stegman zijn de laatste jaren in onze Europese cultuur de reflectie en in het verlengde daarvan het geloof in verbondenheid vleugellam geworden, terwijl ze hard nodig zijn om de ‘instituties van de Westerse multilaterale orde’ te revitaliseren. Deze zijn weliswaar nooit zonder interne én onderlinge strijdigheden en tekortkomingen geweest, maar het waren wel dragers van hoop, waarmee beloftes regelmatig werden ingelost en waarde(n)volle collectieve goederen werkelijk voortgebracht. Stegman pleit voor herstel van dergelijke instituties, op basis van een nieuwe hoop waar kosmopolitisme en individualisme elkaar niet uitsluiten.

 

Onze serie artikelen over normatieve professionalisering krijgt ook in dit nummer van Waardenwerk haar vervolg. Onder de noemer van dit thema vallen hier twee bijdragen, de eerste van Jan Nap, lector en strategisch adviseur bij de politieacademie, over hoe juist de politie op een inspirerende manier kan bijdragen aan het ontwikkelen van een nieuw perspectief op het leren samenleven met ongemakkelijke verschillen en onzekerheden. Nap: ‘ik denk dat de politie de samenleving een dienst kan bewijzen door te laten zien hoe zowel buiten als binnen de organisatie geleerd wordt om ervaren spanningen waardig te hanteren en zo mogelijk om te vormen tot vruchtbare samenwerking. Door de eigen praktijk serieus te nemen en te zien als ‘leerstof’ en ‘bouwmateriaal’ kan een nieuw verhaal zichtbaar gemaakt worden. Een verhaal waar de samenleving baat bij kan hebben.’ Volgens Nap is de politie een afspiegeling van die samenleving, met eendere spanningen die vaak worden geduid in dichotomieën en polariteiten. Door uit te gaan van meervoudigheid en onzekerheid, en niet van polarisaties, kunnen politiemensen zelf ontdekken hoe mensen waar ze dagelijks mee te maken hebben, zichzelf zien. Integriteit gaat dan aan diversiteit vooraf; integriteit is niet zozeer je houden aan regels, maar veeleer je inzetten voor het ‘heel’ houden van de samenleving, van een veilige samenleving waar niemand buiten hoeft te vallen.

De tweede bijdrage normatieve professionalisering is van Frans Berkers, een leven lang cultureel werker en docent, en nu schrijvend aan een dissertatie waarin het onderwerp van deze bijdrage, de visie van Richard Sennet op sociaal werk, centraal staat. Berkers leest bij Sennett dat we in het sociaal werk niet alleen te maken hebben met interactieprocessen tussen de werker en cliënt maar ook met interactieprocessen tussen de cliënten en het materiaal – hoe staan ze er tegenover en hoe gaan ze daarmee om - en met die tussen de professional en het materiaal, want ook sociale werkers hebben een verhouding tot datgene waaraan hun cliënten werken. ‘Werken aan materiaal’ moet dan begrepen worden als (leren) omgaan met problemen en mogelijkheden. Volgens Sennett zouden we het werken aan moeilijkheden en mogelijkheden het beste kunnen benaderen als een ambacht, dat wil zeggen als een vakman/vrouw. ‘Ervaring’ met problemen is fundamenteel wat anders dan de ‘beleving’ ervan. Het gaat bij ervaring om materiaal of materialen waarmee men in ‘het experimentele ritme van het oplossen van en zoeken naar problemen’ de dialoog aangaat en de samenwerking zoekt. Dat zou Berkers willen laten opgaan voor zowel de sociaalwerkprofessional als voor degenen die gebruik maken van zijn/haar diensten. Beiden zullen de tijd moeten nemen of krijgen om de problematiek, zijn eigenaardigheden en weerbarstigheid te leren kennen.

Bij zijn methodisch handelen heeft de (ped)agogische professional dus te maken met een complex samenstel van meervoudige interacties, waarin iedere positie (cliënt, professional, materiaal) zijn eigen specifieke context heeft die op zijn beurt weer geplaatst kan worden in bredere (maatschappelijke) contexten, waarvan structuren en ontwikkelingen van invloed zijn op elke specifieke context. De vele vormen van wrijving, weerstand en ambiguïteiten die dat allemaal met zich meebrengt vergen van de sociale werkprofessional volharding en moed, om zich ‘waardig strijdend’ te blijven inzetten voor ‘goed werk’.

 

Dit zomernummer van Waardenwerk wordt afgesloten met een bijdrage van Abdelilah Ljamai, universitair docent humanisme en islam aan de Universiteit voor Humanistiek. Ljamai wil tegenover het in het Westen heersende negatieve Islam beeld zekere humanistische aspecten in het islamitisch denken naar voren brengen, met name in het werk van drie moslimfilosofen in de renaissance. Ondanks overigens duidelijke verschillen tussen humanisme en islam geeft Ljamai een aantal suggesties dat een dialoog tussen islam en humanisme mogelijk en vruchtbaar zou kunnen zijn.

‘Een van de belangrijkste perspectieven van de dialoog tussen humanisme en islam is het bieden van een tegenkracht tegen rechtsextremistische boodschappen en tegen jihadistische ideologie. Door het vergroten van de mentale en emotionele weerbaarheid van kwetsbare burgers (radicale moslimjongeren of populistische jongeren) is de kans groot dat islam en humanisme een weg kunnen vinden naar verbinding’

 

namens de redactie,

 

Harry Kunneman en Richard Brons








Reacties op dit artikel:


- Nog geen reacties

Uw reactie, mening:
Vul het volgende veld niet in:
Naam:
Email:
Bericht:

Uw reactie is niet anoniem. Uw IP adres zal worden opgeslagen.