Waardenwerk
 Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze digitale nieuwsbrief en blijf op de hoogte!




| Meer
Rehabilitatie congres
[ advertenties ]




Redactioneel nummer 68

Dit voorjaarsnummer luidt de vijfde jaargang in van dit tijdschrift. Ons eerste lustrum is een teken dat Waardenwerk wortel heeft geschoten, en dat is maar goed ook. Het bereik van onze lezerskring is misschien niet zo groot. Maar in het licht van de zorgwekkende politieke en maatschappelijke ontwikkelingen op vele plekken in de wereld, inclusief ons eigen land, zijn het kritische onderzoek, de filosofische verdieping en de praktische richtingwijzers rond waardenwerk die wij in dit tijdschrift bij elkaar brengen zeer aan de tijd.

Alle teleurgestelde, boze en angstige reacties die deze ontwikkelingen oproepen, en de daarmee verbonden verharding en simplificatie, maken ook duidelijk hoe belangrijk de alledaagse vorm van morele betrokkenheid is die tot uitdrukking komt in goed werk met en voor anderen, in werk dat deugt en deugd doet. Het gaat hier om een horizontale gedaante van morele betrokkenheid die in veel maatschappelijke domeinen springlevend is. Van de zorg, het onderwijs, de politie en maatschappelijk betrokken ondernemingen, tot alle vrijwillige vormen van sociaal en politiek engagement met het lot en het welvaren van concrete anderen. Ook die staan onmiskenbaar onder druk. Maar waardenwerk, opgevat als het actief en leergierig bijdragen aan waardevol werk met en voor anderen, is in onze verdeelde tijd misschien wel de belangrijkste gedaante van morele betrokkenheid die in concrete situaties steeds weer de horizon van een rechtvaardige en duurzame samenleving op laat oplichten.

Dat zijn in ieder geval de overtuiging en de hoop die dit tijdschrift dragen en die ten grondslag liggen aan de activiteiten van het daarmee verbonden Gezelschap. In het voetspoor van voorafgaande nummers biedt dit nummer zicht op de fascinerende complexiteit van de vragen die deze zoektocht oproept. De eerste bijdragen onderzoeken vanuit verschillende invalshoeken de vraag naar de eigen vorm van onderzoek, inzicht en leren die in het spel komt wanneer wij vertragen in plaats van versnellen, complexiteit toelaten in plaats van verdringen, openen in plaats van afsluiten en passiviteit en ‘lijdelijkheid’ toelaten en uithouden. Een krachtige conceptuele verleiding is daarbij om in heldere tweedelingen te vervallen, waarin aan de ene (‘foute’) kant de instrumentele rede, de systemen, de technologen, de hoge gronden en de protocollen worden geplaatst en aan de andere (‘goede’) kant ‘alternatieve’, ‘kritische’, ‘narratieve’ ‘diepere’, ‘wezenlijke’ vormen van onderzoek, kennis, inzicht en betrokkenheid. In die opposities verdwijnt de cruciale vraag uit beeld hoe met het oog op waardevol werk precaire, tijdelijke, schurende verbindingen daartussen te ontwikkelen. Waardevol werk met en voor anderen is immers altijd ook werk; werk dat goed en slecht gedaan kan worden en goed en slecht uit kan pakken, ook wanneer het werk dat aan de orde is nu juist draait om vertragen, niet-ingrijpen of samen met anderen uithouden van het onverdraaglijke. Het is daarom van groot belang om beter te begrijpen wat de eigen werkzaamheid is van vertragende, openende, ‘passibele’ vormen van handelen en de bijzondere vormen van onderzoekend leren die daaraan bijdragen. Niet als alternatief voor, maar in schurende verbinding met ‘instrumentele’ vormen van kennen en handelen.

Het eerste deel van dit nummer biedt een aantal beschouwingen die aan dat diepere begrip beogen bij te dragen. Tegen de achtergrond van haar werk als organisatieadviseur en steunend op inzichten van Hannah Arendt, laat Mieke Moor in het eerste artikel zien hoe vruchtbaar het kan zijn om alledaagse situaties op te vatten als ‘performances’, als slechts gedeeltelijk geplande, open opvoeringen, of zoals Moor schrijft: ‘als een gebeurtenis waarin je van alles toevalt, waarvan het wezen niet wordt bepaald door wat je er aan kunt plannen en beheersen, maar door wat je ontsnapt en het vermogen om met die openheid om te kunnen gaan...’. Aan de hand van een filosofische reflectie op drie concrete situaties en de scheidende en verbindende rol die tafels daarin spelen, komt in het intrigerende betoog van Moor een gedachte boven die zij zelf als paradoxaal aanduidt ‘ ...misschien kan zich juist in het (tijdelijk) niet spreken, niet weten, niet iets willen een openheid ontvouwen waarin mensen samen tot iets nieuws kunnen komen.’ Deze onderzoekslijn wordt vanuit een andere invalshoek voortgezet in het aansluitende themagedeelte, waarin de rol van kunst in de gezondheidszorg centraal staat. Dit thema stond centraal in het Heelmeesters symposium ´Ethiek en Esthetiek´ in november 2016. De inleiding die vooraf gaat aan onze drie artikelen geeft meer informatie over dit symposium en het achterliggende project. Mede op basis van indringende persoonlijke ervaringen, reflecteert Frans Vosman in de eerste bijdrage aan dit themadeel op ‘de verhouding tussen zieke en kwetsbare mensen en de kunsten in de laatmoderne samenleving’. Vosman verzet zich tegen het ‘inzetten’ van kunst in de gezondheidszorg: ‘Als kunst bruikbaar wordt gemaakt om de zielenroerselen van zieke en gekwetste mensen ‘naar buiten’ te krijgen of omdat hun gemoedsbewegingen positief beïnvloed moeten worden, dan is kunst het volgende domein dat bruikbaar wordt gemaakt.’ Maar dat betekent niet dat kunst boven ‘nut’ verheven is en geen eigen werkzaamheid zou hebben. Vosman stelt voor kunst op te vatten als ‘een maatschappelijke praktijk van anders waarnemen, anders uitdrukken en anders interpreteren dan gebruikelijk…de praktijken van de kunsten maken samenleven mogelijk door het samenleven te intensiveren, te verdichten. Door kunst zien, ruiken, voelen, horen we wat er in samenleven op het spel staat.’ In de overige bijdragen aan dit themadeel wordt dit intrigerende perspectief verder uitgewerkt en geconcretiseerd. Beeldend kunstenaar en Germanist Oliver Schultz organiseert en leidt groepsactiviteiten waarin mensen met dementie zich kunnen uiten in kunst, en brengt via vele lezingen, publicaties en tentoonstellingen de boodschap dat mensen met dementie ‘sprechen durch ihre Bilder’ Zijn tekst laat ons hier meevoelen hoe we ontvankelijk zouden kunnen zijn voor dit ‘spreken door beelden’, en hoe daarbij een vorm van wederzijdse ‘gastvrijheid’ aan de orde is, én de bereidheid zich te mogen laten verwarren, door elkaar, in een ‘Durcheinander’, een niet te vertalen woordspeling waarin zowel een verwarring als een ‘door elkaar’ zit besloten, hoe dan ook een subtielere vorm van sensibiliteit waarin de mens in zijn dementie kan verschijnen. Merel Visse, hoofddocent zorgethiek aan de Universiteit voor Humanistiek, bespreekt vanuit haar wetenschappelijke én daarnaast ook kunstzinnige werk in hoeverre de kunst kan bijdragen tot andere of zelfs betere inzichten op wat goede zorg is. Kunstwerken en hun processen, met name ook in het verband van thematische collectieve presentaties als die van ‘de Heelmeesters’, nodigen vaak uit tot herkaderen, ontkaderen en daarmee veranderen van onze begrensde manier van kijken en dat is binnen de zorg zeer relevant en vaak hard nodig. Het werk van vele sociaal geëngageerde kunstenaars ligt tegenwoordig dicht bij een zorgethiek opgevat als een ‘politieke ethiek met aandacht voor hoe we democratisch (kunnen) samenleven, hoe we omgaan met macht, asymmetrie, af hankelijkheid en verantwoordelijkheid. Het gaat ons dan om het begrijpen en soms ook het scheppen van ruimte voor solidariteit, vertrouwen, gelijkwaardigheid in een samenleving die verantwoordelijkheden voor zorg zo goed mogelijk verdeelt’ Die (tussen)ruimte ervaart Visse in het snijvlak van kunst en zorgethiek.

In het tweede themadeel worden verwante vragen vanuit een heel andere invalshoek onderzocht, namelijk de handreiking die ZON-MW heeft ontwikkeld voor het omgaan met ‘zingevingsvragen’ in de zorg. Wij mochten hier twee belangrijke teksten (‘essays’) plaatsen uit ZONMW’s signalement ‘Zingeving in Zorg – de mens centraal’ gevolgd door twee reacties daarop. Frans Vosman met zijn tweede bijdrage in dit nummer van Waardenwerk en Martin Walton, hoogleraar geestelijke verzorging, reageren op de essays van respectievelijk Machteld Huber & Bert Garssen (uiteenzetting van Hubers toonaangevende concept van ‘positieve gezondheid’) en Marie-Jose Gijsberts (over de integratie van zingeving in zorgpraktijken). Voor een samenvatting en positionering van de reacties van Vosman en Walton op de centrale rol van de zingeving in het gehele ‘signalement’ verwijzen we naar de inleiding bij dit themadeel van ons redactielid Vicky Hölsgens, zelf werkend aan een promotie onderzoek over zingeving in de zorg.

In het derde themadeel zijn drie artikelen samengebracht die vanuit verschillende invalshoeken de vraag naar politiek burgerschapsonderwijs aan de orde stellen. Isolde de Groot, redactielid en universitair docent aan de Universiteit van Humanistiek concludeert uit haar onderzoek naar politiek onderwijs aangeboden in samenhang met de scholierenverkiezingen in Nederland, dat de verkiezingen op scholen tot op heden nog in te beperkte mate benut worden voor het systematisch bevorderen van (kritische) politieke ontwikkeling. Leerlingen zouden een grotere rol dan voorheen kunnen krijgen bij de organisatie en/of het faciliteren van scholierenverkiezingen waarbij ze bijvoorbeeld feedback geven op elkaars vermogen de verkiezingsuitslagen te duiden, of middels portfolio-opdrachten reflecteren op hun ervaringen met politiek en op de mate waarin gerelateerde leeractiviteiten bijdragen aan hun politieke geletterdheid, vaardigheden en identiteitsontwikkeling. In de tweede bijdrage van dit themadeel beschrijven Isolde de Groot en Susan Curvers de belangrijkste bevindingen van Susan Curver’s afstudeeronderzoek naar kernaspecten van internationaal politiek burgerschapsonderwijs. Uit het werk van Jacques Rancière, Chantal Mouffe en Cornelis Castoriadis worden een aantal kernaspecten van politiek burgerschapsonderwijs onderscheiden: de politieke orde als een contingente orde waaraan mensen steeds opnieuw vorm geven in een open en eindeloos proces, niet om het bereiken van consensus, over wat de ‘goede’ samenleving is bijvoorbeeld, maar het telkens weer bevragen van dominante opvattingen van ‘goed’ samenleven, van de instituties van ons sociale leven, en van dominante definities van burgerschap in verschuivende politieke omstandigheden. Onderwijs dat uitgaat van deze kernaspecten zou bij leerlingen vaardigheden moeten bevorderen om vanuit begrip van de bestaande politieke ordes van school en samenleving waar zij zelf deel van uitmaken, vragen te leren stellen bij de wenselijkheid van bestaande structuren en doeleinden, alternatieven voor huidige praktijken te verkennen in dialoog met betrokken partijen – en om te gaan met de spanningen en waardenconflicten die daarbij zullen meespelen. Hoewel in deze richting al veel gebeurt, vergt een systematische ontwikkeling van politiek burgerschap volgens de auteurs echter tevens om een beleidsvisie op burgerschapseducatie die, meer dan huidige beleidsdocumenten, specificeert welke politieke inzichten, vaardigheden, waarden- en identiteitsontwikkeling scholen dienen te bevorderen om participatie in een democratische samenleving mogelijk te maken. Het themadeel wordt afgerond met een ‘goed verhaal’ van Magda van Eck, docent maatschappijleer en filosofie, over haar PWS- (profiel werkstuk, de ´scriptie´ van VWO scholieren) groep ‘The Next generation’, bij wijze van mooie illustratie hoe de aanbevelingen van de andere bijdragen in dit themadeel spannend in praktijk worden gebracht. Dit themagedeelte wordt gevolgd door een bijdrage van onze columnist L. L. Stegman waarin hij twee kanten van ‘creatieve destructie’ belicht: degene die volgens Schumpeter inherent is aan de ongebreidelde expansie van het kapitalisme, waarin het oude product steeds moet wijken voor het nieuwe, en aan de andere kant de creatieve destructie die nu nodig is om dat materialistische proces te vervangen door een andere oriëntatie op welzijn.

De twee bijdragen aan het laatste themadeel illustreren het belang van leerzame wrijving voor het goed omgaan met complexe vragen. In de eerste bijdrage biedt Ed de Jonge vanuit deugdethisch perspectief een kritische beschouwing van het begrip ‘amor complexitatis’ dat door Harry Kunneman is geïntroduceerd om de politieke horizon van normatieve professionalisering te verhelderen. Dit begrip geeft in zijn ogen te denken: ‘Het is intrigerend in de juiste betekenis van het woord: er gaat een blijvende aantrekkingskracht van uit en tegelijkertijd houdt het niet op te schuren.’ De Jonge betoogt dat de verbinding tussen liefde en complexiteit in relatie tot professioneel handelen problematisch is. ‘Vanuit deugd-ethisch perspectief lijkt liefde niet de meest gepaste verhouding te zijn maar eerder dapperheid, in combinatie met hoop en wijsheid, als voedingsbodem voor goed (samen) leven en werken.’ In de tweede bijdrage proberen Doortje Kal en Gustaaf Bos middels een kritische dialoog beter zicht te krijgen op hun onderlinge verschillen rond inclusie en participatie in de langdurige zorg voor mensen met een verstandelijke of psychiatrische beperking. Zowel Kal als Bos hebben grote bedenkingen bij het in veel beleidskaders dominante gelijkheidsdenken. Maar welke ruimte kan worden gelaten voor onderlinge verschillen als we hen willen laten participeren in onze samenleving, en wat vraagt dit van hen en van burgers zonder beperking? Gustaaf Bos laat zich bij de kritische articulatie van zijn standpunt inspireren door de responsieve ethiek van Bernhard Waldenfels, die de nadruk legt op het erkennen van de onkenbaarheid en onophefbaarheid van de verschillen tussen een ander en onszelf. ‘De verwarring en vervreemding die ik dikwijls ervoer tijdens interacties met personen met een ernstige verstandelijke of meervoudige beperking in omgekeerde-integratiesettingen, mijn onvermogen een bevredigende betekenis aan onze ontmoetingen te hechten – om te begrijpen – maakten mij kritisch op de emancipatoire gelijkheidsfocus.’ Doortje Kal laat zich inspireren door Jacques Derrida en zijn beschouwingen over gastvrijheid en rechtvaardigheid. ‘Om verschil, anders-zijn te verwelkomen moeten we wel eerst weten waarin/waarmee de ander zich verwelkomd voelt.’ Terwijl Bos de mogelijkheden van meer ruimte voor mensen in de marge heel individueel beschouwt, is de inzet van Kal meer maatschappelijk gericht. Zij parafraseert Waldenfels: ‘we zijn vreemd voor elkaar door elkaar; iemand is nooit vreemd op zijn eentje; dus verwijst de vreemdheid ook terug naar onszelf ’ en daar voegt zij zelf even verderop aan toe: ‘vanuit een responsief vertrouwen – en daar komen we weer bij elkaar – dat de verwarrende ander tegemoetgekomen kan en niet ontlopen hoeft te worden’. Het is nu zeer interessant om hier een andere bijdrage in dit Waardenwerk nummer erbij te betrekken: waar Oliver Schultz het ‘Durcheinander’ ontdekt in zijn relatie met schilderende Margot, het door elkaar heen in verwarring mogen geraken.

Dit nummer wordt afgesloten met een verkenning van Petra Schaftenaar en Andries Baart naar de waarde en betekenis van relationeel zorg geven in de forensische psychiatrie. Deze benadering wordt sinds 2012 uitgevoerd bij de Forensische Psychiatrische Kliniek van Inforsa en is als zodanig onderwerp van door Schaftenaar uitgevoerd (promotie)onderzoek. Het toepassen van het zorgethische presentie paradigna met daaruit volgend het verlenen van relationele zorg zowel tijdens als na de forensische behandeling wordt beschreven en inzichtelijk gemaakt op basis van uitgevoerde participerende observaties en gestructureerde reflectie van werkers hierop. Narratieve interviews met zorgontvangers en groepsinterviews met werkers zullen de waarde en betekenis van deze manier van werken voor cliënten en professionals inzichtelijk maken. Het mogelijke effect op recidivereductie wordt tot slot ook onderzocht. Het in dit artikel uitgewerkte theoretische kader vormt de basis van het onderzoek.

Namens de redactie,

Harry Kunneman en Richard Brons








Reacties op dit artikel:


- Nog geen reacties

Uw reactie, mening:
Vul het volgende veld niet in:
Naam:
Email:
Bericht:

Uw reactie is niet anoniem. Uw IP adres zal worden opgeslagen.