Waardenwerk
 Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze digitale nieuwsbrief en blijf op de hoogte!




| Meer
Rehabilitatie congres
[ advertenties ]




Redactioneel nummer 66 - 67

Voor u ligt een dik winternummer van Waardenwerk, dat een rijk palet aan artikelen en beschouwingen biedt, passend bij deze contemplatieve periode in het jaar. Voor wij daar nader op ingaan, informeren we u eerst over de nieuwe inbedding van Waardenwerk in het gelijknamige gezelschap.

Zoals ons colofon vermeldt, wordt dit tijdschrift gepubliceerd onder auspiciën van de Stichting Waardenwerk. Tot voor kort was dit de enige activiteit van deze stichting. Het afgelopen jaar zijn daar andere activiteiten bij gekomen, in het bijzonder het organiseren van congressen en symposia en het starten en ondersteunen van ‘werkplaatsen’ waarin gedurende een afgebakende periode een waardenwerk-thema wordt uitgediept, uitmondend in een concrete activiteit, zoals een gemeenschappelijke publicatie, een studiemiddag of een cursusaanbod. Bovendien is er een website gemaakt waarop informatie over alle waardenwerk-activiteiten en over verwante initiatieven te vinden is (www.waardenwerk.nl). De Stichting Waardenwerk is de rechtspersoon die uiteindelijk verantwoordelijk is voor deze activiteiten. Maar ze worden bedacht en vrijwillig uitgevoerd door professionals die samen het Gezelschap Waardenwerk vormen. Het tijdschrift is opgenomen in dit Gezelschap van samenwerkende professionals. Vanuit hun inhoudelijke deskundigheid en betrokkenheid geven die, als ‘gezel’, concreet gestalte aan waardenwerk in een beroepspraktijk of in het kader van vrijwilligerswerk. Daarbij laten zij zich inhoudelijk inspireren en steunen vanuit het Gezelschap en dragen zelf aan de activiteiten daarvan bij. Wij hopen dat deze koers ertoe zal bijdragen dat de wisselwerking die wij in dit tijdschrift nastreven tussen enerzijds theoretische en filosofische inzichten en anderzijds ervaringen en bevindingen uit waardevolle praktijken verder gevoed en gestimuleerd zal worden.

De meeste thema’s in dit nummer staan expliciet in het teken van die wisselwerking. Het eerste thema betreft eindigheid en zingeving. De eerste bijdrage is een licht bewerkte versie van de lezing die de Belgische filosoof Marc van den Bossche heeft gehouden tijdens de opening van het nieuwe academische jaar van de Universiteit voor Humanistiek. Onder titel ‘De tijd van mijn leven’ biedt Van den Bossche een zowel persoonlijk doorleefde als filosofisch verankerde beschouwing over de omgang met vergankelijkheid en de zin van het leven. Aanknopend bij ideeën van William James en Martin Heidegger probeert hij een antwoord te vinden op zijn kernvraag: ‘Hoe met vergankelijkheid om te gaan zonder de vraag naar zin als overbodig of onbeantwoordbaar te gaan beschouwen, gezien de zekerheid van onze eindigheid?’ Aansluitend op de lezing van Van den Bossche volgt een artikel van Anja Machielse, dat eveneens betrekking heeft op vragen rond eindigheid, verlies en zingeving, nu echter vanuit de invalshoek van zorg voor kwetsbare ouderen. Het is gebaseerd op de rede waarmee Anja Machielse onlangs het bijzonder hoogleraarschap ‘Empowerment van kwetsbare ouderen’ aanvaardde aan de Universiteit voor Humanistiek. Onder de titel ‘Afgezonderd of ingesloten’ vraagt Machielse aandacht voor de sociale kwetsbaarheid van ouderen: ‘Kwetsbaarheid is meer dan een toenemende zorgbehoefte, die gecompenseerd kan worden door praktische voorzieningen. Voor ouderen zelf heeft kwetsbaarheid ook te maken met verlieservaringen, zoals het wegvallen van betekenisvolle relaties, het verlies van maatschappelijke rollen en een toenemende af hankelijkheid.’ De centrale vraag in dit artikel is hoe zelfstandig wonende ouderen zo lang mogelijk een goede kwaliteit van leven kunnen behouden in het licht van hun kwetsbaarheid in deze betekenis.

Het tweede themagedeelte is gewijd aan recente discussies in de geestelijke gezondheidszorg over de noodzaak van een nieuwe koers, zoals bepleit in het in 2015 verschenen boek Goede GGZ! Nieuwe concepten, aangepaste taal en betere organisatie van onder anderen Jim van Os en Philippe Delespaul. De auteurs reageren hier met hun ‘Naïef optimist of blijven bij een GGZ met gebonden handen?’ (2e bijdrage) op de fundamentele kritiek van Ed van Hoorn op hun toekomstplan in de 1e bijdrage van dit themadeel. Te kort samengevat is de strekking van deze kritiek dat de psychiatrie intrinsiek ongezond (ziek makend) is, en een hinderpaal vormt voor herstel. Van Os en de zijnen waarschuwen dat ‘het belang van mensen die ernstig psychisch lijden niet gediend is door een nieuwe verzuiling waarbij de drie hersteldomeinen (curatief, persoonlijk en participatie) los van elkaar de concurrentie aangaan’. Zij pleiten voor vormen van wijkgecentreerde integratie waarin ‘multideskundigen’ moeten leren samenwerken en niet instellingen de zorg onderling bepalen en verdelen, maar de cliënt als burger in psychische nood, samen met betrokkenen om hem of haar heen, met behulp van de beschikbare (professionele) resources. Jaap van der Stel probeert in de derde bijdrage het zicht te openen op positieve aspecten en mogelijkheden, met name die van de transdiagnostische, gepersonaliseerde benadering, zoals die wel degelijk te vinden zijn in het spanningsveld tussen de vele vaak strijdige visies en ontwikkelingen. In de vierde bijdrage breekt Arjan Braam een lans voor het evenwichtig benutten van het volledige spectrum van professionele verworvenheden zoals die zich hebben ontwikkeld in de historie van de psychiatrie. Gert Schout gaat in de vijfde bijdrage na hoe de terughoudendheid van hulpverleners in de GGZ om sociale hulpbronnen te benutten begrepen kan worden, en hoe daar verandering in te brengen is. Hij wijst dan met name op de ingang van de ‘indirecte maakbaarheid’. Dit themadeel wordt besloten met de bijdrage van Pieter van Ippel en Gerco Blok. Zij houden het onlangs door het Nederlandse parlement bekrachtigde VN-verdrag over ‘de rechten van mensen met een beperking’ tegen het licht, en stellen de vraag in hoeverre dit verdrag op een stimulerende wijze door zal kunnen werken in de brede sector van de geestelijke gezondheidszorg. Voor een uitvoerigere samenvatting van het interessante spectrum van geschetste mogelijkheden voor een toekomstige GGz leze men de thema-inleiding van redacteuren Richard Brons en Elise van Alphen.

Het derde themagedeelte betreft een nieuwe aflevering in de reeks artikelen over het werk van inspirerende en maatgevende denkers voor de theorie en praktijk van normatieve professionalisering, De nieuwe aflevering omvat twee artikelen over het denken van een van de meest geciteerde auteurs in de literatuur rond normatieve professionalisering: Donald Schön. Al in 1984 formuleert Schön in zijn klassieke boek over de reflexieve professional een inzicht dat onverminderd actueel is: ‘Increasingly we have become aware of the importance to actual practice of phenomena – complexity, uncertainty, instability, uniqueness and value conflict – which do not fit the model of Technical Rationality’. Tegen de achtergrond van zijn werk als lector bij het Kenniscentrum Duurzame Havenstad van de Hogeschool Rotterdam, bespreekt Kees Pieters in het eerste artikel een aantal kerninzichten van Donald Schön die hij verbindt met de opvattingen van een van de voormannen van de complexiteitstheorie John Holland: ‘Het werk van John Holland en het onderzoek dat erop volgde, blijkt een structurele onderbouwing te geven voor de voornamelijk empirische observaties van Schön’s betoog. In allerlei praktijken – die van de wetenschap incluis – is sprake van een patroon van optimalisatie dat begint met ‘trial-and-error’ en, met wisselend succes, in de tijd convergeert naar “hoge gronden kennis”…de formele kennis van de technologische rationaliteit lijkt vooralsnog beter inzetbaar te zijn in de natuurwetenschappen dan in de mens- en geesteswetenschappen, en er zijn steeds meer aanwijzingen dat er een direct verband is met de complexiteit van het probleemgebied dat onderzocht wordt’. In het tweede artikel, getiteld ‘Normatieve en reflexieve professionaliteit’, schetst Ed de Jonge voortbouwend op zijn recente proefschrift wat hij als de kern van Schöns benadering beschouwt en beschrijft hij wat in zijn ogen de blijvende meerwaarde is van deze benadering voor de traditie van normatieve professionalisering. Het werk van Schön heeft hem ‘bevrijd van de illusie van de theoretische greep op de praktische werkelijkheid’. In het verlengde daarvan is hij ‘niet meer zo geïnteresseerd in allerlei pogingen om spanningen tussen verschillende concepten op te heffen of om grootse theoretische synthesen tot stand te brengen; het geheel is dan altijd minder dan de samenstellende delen, als een te lang doorgekookte hutspot waar elke smaak uit verdwenen is.’ Dat gevaar bedreigt in zijn ogen ook de traditie van normatieve professionalisering, wanneer die teveel op ‘theoretische hoogvlakten’ verwijlt.

Het vierde themagedeelte bestaat uit drie bijdragen die gewijd zijn aan aandacht en medemenselijkheid in professionele zorgrelaties en wordt ingeleid door de redacteuren Iris Hartog, Eric van der Vet en Carmen Schuhmann. Zij hebben hoogleraar ‘professional performance’ Kiki Lombarts geïnterviewd over dit thema en laten daarna Beate Giebner aan het woord, die in haar artikel nader en ook verder ingaat op haar 2015 proefschrift ‘Gedeelde ruimte – De ontvankelijkheid van zorgverleners in patiëntencontacten’. Volgens Lombarts vraagt goede zorg om meer dan alleen kennis en vaardigheden: het vraagt om ‘handelen vanuit medemenselijkheid’, waarbij ook aandacht voor het welzijn van zorgverleners zelf een belangrijke conditie is. Giebner betoogt dat zorgverleners waarde-ervaringen ‘ontvangen’ in patiëntencontacten, persoonlijke waarden die, als zij bewust gehanteerd worden, kunnen bijdragen aan betrokken, (zelf )verantwoordelijk en intrinsiek gemotiveerd handelen. Het onmiskenbare waardenwerk zoals dat inhoud kan krijgen in de relatie tussen zorgverlener en zorgontvanger krijgt nog meer contour in de bijdrage van Klaartje Klaver, die onlangs promoveerde met haar Dynamics of attentiveness in care practices at a Dutch oncology ward. Als zorgverleners en onderzoekers recht willen doen aan de ervaring van (zieke) mensen en hun unieke beleving, moeten zij ruimte laten voor onbegrijpelijkheid en onbeheersbaarheid en daarmee hun aandacht ‘open’ houden voor dat wat zich aandient.

Het vijfde themagedeelte ligt in het verlengde van twee symposia die dit voorjaar georganiseerd zijn vanuit het Gezelschap Waardenwerk en omvat drie artikelen. Het verbindende thema is de rol van macht en conflict in menselijke relaties. De eerste bijdrage is van de hand van Adriaan Bekman. Hij onderzoekt de belangrijke rol die macht speelt in organisaties. Hoe staat het met deze macht en hoe verhoudt macht zich tot menselijke vrijheid? Bekman formuleert een antwoord op deze vraag in aansluiting bij Hannah Arendt en recente interpretaties van haar denken over macht en vrijheid. Bekman concludeert dat wij in het hedendaagse ‘georganiseerde leven’ de vrijheid hebben om een ‘persoonlijke gemeenschap’ in te richten die ons het omgaan met macht en vrijheid op een nieuwe horizontale intermenselijke manier mogelijk maakt. De tweede bijdrage aan dit thema is van de hand van Martin Hetebrij en draagt de titel ‘Vreedzaam vechten en waardig strijden’. Waar Bekman zich in aansluiting bij Arendt richt op mogelijkheden van dialogische afstemming, onderstreept Hetebrij de grenzen daarvan: ‘De spanningen en conflicten in onze maatschappij vragen meer dan alleen maar dialogisch communiceren. De verschillen en tegenstellingen zijn te groot daarvoor. Open gesprekken met hoop op consensus kunnen geen recht doen aan de felheid van niet op te heffen tegenspraak.’ In het verlengde daarvan formuleert Hetebrij een antwoord op de vraag hoe we in onze maatschappij kunnen leren ‘om in alle grote tegenstellingen en spanningen die ons bedreigen waardig te kunnen strijden, verbinden en vechten.’ Daartoe past hij de reconstructieve methode toe die hij in eerder boeken van zijn hand ontwikkeld heeft toe op drie interviews die hij in het kader van het Waardenwerk-symposium dit voorjaar gehouden heeft met mensen ‘die op hun plek in de maatschappij en op basis van hun levenservaring eigen vormen wisten te geven aan verbinden, vechten en waardig te strijden.’ Middels een gerichte reconstructie van de manier waarop zij in de praktijk om zijn gegaan met grote tegenstellingen en op het oog onoverbrugbare conflicten, formuleert Hetebrij een aantal richtlijnen die ook in andere situaties gebruikt zouden kunnen worden: zo kunnen we leren van het leren van anderen. Dit themagedeelte wordt afgesloten met een bijdrage van Hans Achterhuis die hij zelf omschrijft als een schets van een hoofdstuk dat nog ontbreekt aan het spraakmakende boek over ‘De kunst van vreedzaam vechten’ dat hij samen met Nico Koning schreef. Wat daaraan ontbrak stelt Achterhuis ‘is de lange Europese traditie van spot, komedie en satire, de vrijplaatsen voor kwetsen en kritiek.’ Aan de hand van een bespreking van ondermeer komedies van Machiavelli en de Lof der zotheid van Erasmus komt Achterhuis tenslotte tot de volgende conclusie: ‘In de traditie die Europa mede vormde, zijn zo de komedie, de grap, de zotheid, de satire en de spottende lach…de vrijplaatsen geweest voor vreedzaam vechten. Ongetwijfeld zijn ze minder groot en groots dan de speelvelden die al in ons boek beschreven zijn, maar ze lijken mij daarom niet minder van belang.’

Het laatste themadeel heeft betrekking op vragen die bijzonder actueel zijn in deze periode van overdadige voedselconsumptie door een beperkt aantal mensen, maar die ook op de langere termijn van doorslaggevend belang zijn, namelijk mondiale vragen rond honger en voedsel. In zijn inleiding bij de themadeel, breekt themaredacteur Michiel Korthals een lans voor wat hij aanduidt als ‘voedseldemocratie’: ‘Gelijke toegang tot voldoende voedsel en voedsel volgens erkende kwaliteitsmaatstaven zijn bij uitstek ethisch politieke onderwerpen voor een democratie, die daarmee voedseldemocratie wordt.’ Korthals schetst zeven voorwaarden waaraan een voedseldemocratie moet voldoen. Een aantal daarvan worden verder uitgewerkt in de twee daaropvolgende bijdragen. In de eerste onderzoekt Cor van der Weele mogelijkheden om de consumptie van vlees te verminderen ten gunste van peulvruchten. Volgens van der Weele lijkt er inmiddels een bredere basis te ontstaan voor meer duurzame alternatieven voor vleesconsumptie. ‘Bij die alternatieven gaat de meeste aandacht uit naar nieuwe en verrassende opties: eiwitbronnen die we in het Westen niet kennen, zoals insecten; technologische innovaties zoals de plantaardige vleesvervangers en het dierlijke kweekvlees...high-tech innovaties die zoveel mogelijk op vlees lijken, of het zelfs zijn, roepen veel verwachting op.’ Dat geldt niet voor een simpel en duurzaam alternatief: de peulvruchten: ‘En ondertussen zijn daar ook nog, duurzamer dan alle andere alternatieven alleen verre van nieuw en verrassend, de ‘schlemielen van de keuken’, die zonder technologie en zonder investeringen in overvloedige hoeveelheden beschikbaar zijn als we er gewoon meer van verbouwen.’ Van de Weele concludeert dat aanprijzing en argumentatie voor peulvruchten niet genoeg zullen zijn: ‘…de taak lijkt niets minder te omvatten dan ze cultureel opnieuw uit te vinden.’ Dit themadeel wordt afgesloten met een bijdrage van Michiel Korthals, getiteld ‘Honger en ondervoeding: gebrek aan calorieën en aan respect’. Korthals betoogt dat we over voeding en honger niet alleen na moeten denken in termen van calculeerbare voedingswaarden. Wat wel en niet als voedsel wordt beschouwd is ook in hoge mate cultureel bepaald en het sturen van calorisch hoogwaardig voedsel naar gebieden waar ‘hongersnood’ heerst helpt niet echt. Volgens Korthals is honger ‘nooit alleen een kwestie van te weinig eten hebben (gebrek aan kwantiteit), het is altijd ook een kwestie van goede voeding en de strijd daarover.’ Zijn conclusie legt een interessante verbinding met het voorafgaande themadeel over macht en waardig strijden: ‘De strijd om de definities van voeding, ondervoeding en gezondheid is vaak niet een gelijkwaardige strijd. De dominante partij weet meestal zijn definitie door te zetten, met als gevolg gebrek aan respect voor andere definities en voor de voorstanders daarvan.’

Dit nummer wordt afgesloten met twee vernieuwende perspectieven in respectievelijk het duurzaamheidsdenken en in het denken over onderwijs, gevolgd door een recensie van Vincent Stolk zijn dissertatie over aspecten van levensbeschouwelijk humanisme en last but not least onze vaste column. Bart Mijland en Manuela Kalsky zijn weliswaar geïnspireerd door Wubbo Ockels’ pleidooi voor een nieuwe religie waarin duurzame ontwikkeling voor de mens centraal staat, maar menen dat deze oproep beter kan landen langs de wegen van hun alternatief: biocultureel pluralisme. Biocultureel pluralisme beoogt een actieve en respectvolle dialoog tussen mensen vanuit en over de diversiteit van het leven in al haar facetten, in de wetenschap dat deze facetten niet los van elkaar bestaan en elkaar beïnvloeden. Het theoretisch kader hiervoor is mede aangelegd door Bruno Latour, Whitney Bauman en Luisa Maffi. Met biocultureel pluralisme kunnen religieuze, humanistische en duurzame mensen met behoud van hun eigen overtuigingen de dialoog aangaan over de toekomst die zij gezamenlijk willen. De bijdrage van Bart van Rosmalen is een ingekorte bewerking van zijn intree-rede ter gelegenheid van de officiële installatie van het lectoraat Kunst en Professionalisering van HKU Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Zijn rede : ‘Muzische professionaliteit’ presenteert ‘gedachten en gereedschap voor docenten in tijden van onderwijsvernieuwing’. In het rapport Onderwijs 2032, in de dynamiek rond de ‘21th century skills’ en in de hernieuwde aandacht voor het begrip ‘Bildung’ in het onderwijs komen drie kwaliteiten van toekomstige professionals telkens terug: samenwerken over de grenzen van disciplines heen, een onderzoekende houding en nieuwsgierigheid en creativiteit. Hoe gaat de huidig en toekomstig docent daar richting aan geven? Bart van Rosmalen nodigt in dit artikel drie stemmen uit om in het handelen van de professional meer van zich te laten horen: de stem van het ’wij’ van een gezamenlijke praktijk (Voice of the Practice), de stem van een onderzoekende houding (Voice of Inquiry) en de stem van de kunstenaar (Voice of the Artist). Met deze drie stemmen verbindt van Rosmalen zijn eerder dit jaar verschenen proefschrift Muzische Professionalisering met de beoogde transitie in de praktijk van onderwijs en opleiden. Tenslotte onze gebruikelijke recensie en vaste column: Alderik Visser bespreekt het proefschrift van Vincent Stolk: Tussen Autonomie en Humaniteit. De geschiedenis van levensbeschouwelijk humanisme in relatie tot opvoeding en onderwijs tussen 1850 en 1970. L.L. Stegman beschouwt in zijn column het menselijk vermogen tot reflectie en daaruit voortvloeiende afgewogen geschiedschrijving tegen de achtergrond van tegenwoordige blikvernauwingen, waarin sprake is van zowel een ‘versteende’ versmalling, als van een veronachtzaming van waarden en normen. ‘Het onderscheid tussen het functionele humanisme en het destructieve cynisme ligt besloten in het motief van en in de koppeling aan relativeringsvermogen, zelfinzicht en positieve verbondenheid met de samenleving’.

Namens de redactie,

Harry Kunneman en Richard Brons








Reacties op dit artikel:


- Nog geen reacties

Uw reactie, mening:
Vul het volgende veld niet in:
Naam:
Email:
Bericht:

Uw reactie is niet anoniem. Uw IP adres zal worden opgeslagen.