Waardenwerk
 Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze digitale nieuwsbrief en blijf op de hoogte!




| Meer
Rehabilitatie congres
[ advertenties ]




Redactioneel nummer 70/71

De wintereditie van Waardenwerk is zoals gebruikelijk een dubbelnummer met de omvang van een flink boekwerk. Een aanzienlijk deel van dit nummer bestaat uit bijdragen aan de afscheidsconferentie van Harry Kunneman als hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek op 5 oktober van dit jaar, met speciale aandacht voor het boek dat bij deze gelegenheid werd gepresenteerd: Amor complexitatis, deel 2 van ‘Bouwstenen voor een kritisch humanisme’.

In het eerste themadeel zijn zeven inleidingen uit deze conferentie bijeengebracht, gecompleteerd door de afscheidsrede van Harry Kunneman over radicaal humanisme. Het begint met de openingsvoordracht van Frans Vosman. Hij bespreekt Kunneman’s ontwerp voor een radicaal humanisme langs twee hoofdlijnen, of ‘nieuwe denkwegen’, de weg van de ‘biosofie’, en de weg van normatieve professionalisering. Ten aanzien van Kunneman’s voorstel voor een radicaal-humanistische transformatie van het dominante mensbeeld, legt Vosman een link naar humanist van het eerste uur, Pico della Mirandola, voor wie zelf-transformatie het meest onderscheidende kenmerk van de mens leek te zijn. Waar inmiddels op brede schaal verder wordt gewerkt aan normatieve professionalisering, die andere hoofdweg van Kunneman’s denken, spreekt Vosman de hoop uit, dat met name de ‘professional society’ meer voet aan de grond gaat krijgen, door vormen van bredere samenwerking tussen ‘waardenwerkers’ die nu nog vaak in hun eigen contexten opereren.

 

In de bewerking van zijn afscheidsrede tot artikel voor Waardenwerk trekt Harry Kunneman de lijn door die hij heeft ingezet in een fascinerende collegereeks uit 2015/2016 (zie www.kunneman.org) en een aantal voorstudies die zijn opgenomen in zijn boek Amor complexitatis. In het licht van de grootschalige destructie en exploitatie van andere levensvormen en de rol die het moderne humanisme heeft gespeeld in de culturele legitimering van een verticale verhouding tussen mensen en andere levensvormen, schetst hij een route naar een radicaal humanisme die drie stappen omvat. Hij begint met een korte schets van het werk van hedendaagse biologen zoals Frans de Waal, die de continuïteit tussen mensen en andere levensvormen benadrukken. In aansluiting daarop berust de eerste stap naar een radicaal humanisme op het inzicht dat humaniteit voorafgaat aan de mens en gedistribueerd is over vele levensvormen. De tweede stap berust op het daarmee verbonden onderscheid tussen humaniteit en menselijkheid. Homo sapiens voegt de ‘logos’ toe aan de twee voorafgaande ‘paralogische’ registers waarin de humaniteit van mensen en veel andere levensvormen volgens Kunneman geworteld is, en die toevoeging is in zijn ogen hoogst ambivalent: hij verrijkt de humane potenties die wij geërfd hebben, maar doorkruist die ook. De derde stap naar een radicaal humanisme vloeit uit de eerste twee voort. Het gaat hier om een verbreding van de eenzijdige focus van het humanisme op de menselijke logos door een ‘toewending naar de spanningsvolle complexiteit en de trage vragen van de humane bestaanswijze die wij delen met veel andere soorten’. Afsluitend schetst hij vier ‘bevindingen’ uit zijn eigen ontwikkelingsgang, die naar hij hoopt van invloed kunnen zijn op de verdere ontwikkeling van de humanistiek als nieuwe menswetenschap.

 

In de derde bijdrage vanuit de conferentie probeert Hans van Ewijk het decennialang toonaangevende begrip ‘sociale rechtvaardigheid’ te rijmen met gaandeweg gewonnen inzichten ten aanzien van sociale complexiteit en contextuele realiteiten van uitvoerend sociaal werk. Hij vindt aanknopingspunten voor een meer contextuele notie van sociale rechtvaardigheid bij Hannah Arendt (dat begrip nooit vastleggen, maar steeds in discussie bevragen), Harry Kunneman (diens complexiteitsdenken legt de bijl aan de wortel van sociale rechtvaardigheid als systeembegrip), Amartya Sen (sociale rechtvaardigheid als morele horizon voor wat mensen in specifieke omstandigheden wel en niet nodig hebben) en Piet Hein Donner (‘ieder het zijne geven’). Vanuit deze ‘bronnen’ stipuleert van Ewijk acht voorlopige ‘hoekstenen’ voor een meer contextuele invulling van sociale rechtvaardigheid.

Marc de Leeuw belicht in de vierde conferentiebijdrage het denken van Harry Kunneman vanuit zijn eigen Ricoeur expertise. Zijn ‘voorzichtige these’ is dat ‘de interne drijfveer die zowel Ricoeur’s als Kunneman’s denken voortstuwt de wens is de ‘gebroken mens’ een vorm van zelf-bevestiging en zelf-affirmatie aan te reiken die dit zelf, ondanks al haar interne fissures, conflicten en inconsistenties in staat moet stellen weer voor ‘zich-zelf’ [in] te staan ‘met, en voor anderen, in rechtvaardige instituties’, zoals Ricoeur’s bekenste maxime luidt. Hierbij zijn de interne en externe breukvlakken, de spanning van onze lichamelijke en reflexieve meervoudigheid, het onafgestemde en het onophefbare, juist wat ons dwingt en/ of beweegt de nieuwe vormen van gesprek’. Kunneman’s nieuwe ‘humanisme voorbij de mens’ bestaat uit een relationele theorie die intersubjectiviteit en wederkerigheid als anker van ons mens-zijn poneert, en daarbij de complexiteit van inter-relationele structuren tot kern van een sociale, politieke, normatieve en biologische menswetenschap maakt.

 

Fernando Suárez Müller & Marije Klomp komen na een uitvoerige analyse van zowel Kunneman´s rede over radicaal humanisme als van hoofdstukken uit zijn Amor complexitatis over normatieve professionalisering tot een interpretatie van wat Kunneman´s jongste radicale ideeën over humaniserend samenwerken zouden kunnen betekenen voor normatieve professionalisering. Zij menen dat de normatieve professional verantwoordelijkheid draagt die niet louter maatschappelijk-beroepsethisch is, maar in bredere zin wat zij noemen een viervoudige morele verantwoordelijkheid met zich meebrengt: persoonlijk, maatschappelijk, ecologisch en spiritueel. Deze verantwoordelijkheden in hun complexiteit naleven vereist volgens hen een toespitsing van normatief professionaliseren naar normatief organiseren, waarvan Corporate Social Responsibility een reeds bestaand aansprekend voorbeeld is.

Kees Pieters beschouwt in zijn originele bijdrage de begrenzingen van de wetenschappelijke methode in het licht van het complexiteitsdenken, aan de ontwikkeling waarvan hij samen met Harry Kunneman en Paul Cilliers onder meer in Zuid Afrika zelf heeft kunnen meewerken. Pieters schuwt in zijn betoog de wiskundige formules niet, om inzichtelijker te kunnen maken hoe in iedere wetenschappelijke productie van kennis, met name ook in vermeend objectieve algoritmen, procedures en (big) data sets, altijd ook een impliciete normativiteit schuilt. In die normativiteit zit een reductie van complexiteit besloten, doordat steeds moet worden gekozen voor een begrenzend en beperkend model van te onderzoeken ‘werkelijkheid’, die dan ´an sich’ buiten het onderzoekssysteem valt, maar daar wel onkenbaar mee interfereert, en het hangt dan van de kwaliteit van de onderzoekspremissen af, in welke mate die onkenbare en onmeetbare interferenties het onderzoek op losse schroeven zullen zetten en letterlijk ‘betrekkelijk’ maken. Pieters illustreert dit bijzonder inventief aan de hand van een zelf ontworpen voorbeeld van speltheorie, dat hij ook heeft ingezet in zijn workshop van de 5 oktober conferentie.

In de laatste bijdrage uit die conferentie in dit nummer van Waardenwerk vergelijkt Richard Brons de opvattingen van J.-F. Lyotard, Jessica Benjamin en Judith Butler ten aanzien van strijdigheid en tweedracht, en dan met name welke mogelijkheden zij zien, om deze te overbruggen. Nadat Harry Kunneman het werk van Jessica Benjamin voor ons heeft ontsloten mede in het kader van zijn ´biosofische’ visie over zelfzuchtige agressie en de mogelijke begrenzing daarvan, ziet Brons in een primaire, nog niet talig-cognitieve reflectie zoals die zowel door Jessica Benjamin als door Lyotard wordt verondersteld altijd werkzaam te zijn, een belangrijke conditie die ons in principe steeds in staat stelt, strijdigheid en niet articuleerbaar lijden ten gevolge daarvan, ook bij anderen gewaar te worden en te (h)erkennen.

 

Het tweede themadeel van ons nummer is samengesteld rond de lezing die Gert Biesta ook op de conferentie heeft gegeven, over het onderscheid dat hij voorstaat tussen Bildung en Erziehung. Voor een inleiding tot zijn pleidooi, en andere teksten over het thema Bildung van de hand van Martien Schreurs, Huub Gulikers, Jacco van Uden en Roezjitsa Filtsjeva, leze men de eerste, ook persoonlijk geïnvolveerde bijdrage van onze redacteur Michiel de Ronde.

 

Het derde thema, normatieve professionalisering, keert in ieder nummer van Waardenwerk terug, ditmaal met de start van een nieuwe serie over Waardenwerk onderzoek, hier geïntroduceerd door Harry Kunneman. De serie wordt vervolgens gestart met een bijdrage van Yanaika Zomer, gedreven humanistica op het gebied van kwaliteitszorg, maar daarna vooral ook tekstschrijver. Zij beschrijft hier voor ons op aansprekende wijze een wat Harry Kunneman in zijn introductie noemt waarderend profiel van het NIM Maatschappelijk werk, een onderzoek dat namens Waardenwerk is uitgevoerd door Lilian van Klinken en Steven Kiers.

Een tweede textuele bijdrage aan normatieve professionalisering komt van Gert Schout, met zijn pleidooi voor ‘vakmanschap in de zorg voorbij maakbaarheid’, waarmee hij bedoelt dat zorgprofessionaliteit zich veel meer zou moeten betrekken op en putten uit de hulpbronnen geboden door de leefwereld van cliënten, voor wie zorg en herstel niet zozeer door de professional maakbaar is, als wel in gang gezet kan worden.

George Lengkeek buigt zich over mogelijk beter toepasselijke aanduidingen van meer complexe normatieve professionaliteit: volstaat het wel, deze professionaliteit enkel ´normatief´ te noemen, aangezien niet-complexe, in regelsystemen vastgelegde instrumentele professionaliteit immers ook altijd op normatieve aannames en uitgangspunten berust?

Esther Lammers, Swanny Kremer, Roel Pieters en Bert Molewijk beschrijven in de laatste bijdrage aan dit themadeel het proces van moreel beraad op tamelijk unieke wijze opgezet in de Mesdag FPC, en de titel van hun tekst geeft dit proces al intrigerend contour: ‘Een stap in de goede richting: de ontwikkeling van een stappenplan voor moreel beraad met patiënten en medewerkers samen in de forensisch psychiatrische zorg’.

 

Ter afwisseling komen vervolgens twee op zich zelf staande beschouwingen aan bod, die niettemin over zeer actuele onderwerpen gaan: ‘Een samenleving van kleinst mogelijke minderheden’, van onze vaste columnist, L.L. Stegman, en een scherpzinnige analyse van Niels Springveld, over de door flexibilisering van de arbeidsmarkt toegenomen bestaans- en inkomensonzekerheid, leidend tot de nieuwe, amorfe klasse van het ‘precariaat’, zonder bestaanszekerheid en politieke representatie.

 

Een groot themadeel is dan gewijd aan de betekenis en waarde van mindfulness voor persoonsgerichte zorg. Men leze daartoe de inleiding van initiatiefnemers en thema-promotoren Gaby Jacobs en Theo Niessen, beide lectoren van Fontys Mens en Gezondheid. Achtereenvolgens komen dan aan het woord Gaby Jacobs zelf, ethicus Hans van Dartel, Windesheim lector Margreet van dr Cingel, zorgdirecteur Ben van de Brand, zorgmanagers Jean-Luc Spaninks en Peter Westerhof, en geestelijk begeleider Hielke Bosma. Tezamen bieden zij een rijk en breed palet van perspectieven op mindfulness als invulling van de in de zorg zo nodige maar moeitevolle professionele betrokken aandacht, die we in theoretische teksten onder vele benamingen benadrukt zien worden.

 

Ons dubbeldikke winternummer wordt afgesloten door een vervolg op een artikel van Abdelilah Ljamai in Waardenwerk nr. 69, over het belang van een debat tussen humanisme en islam in de westerse context. Daar volgt nu een reactie op van Kees Hellingman, die het belang en de dominante invloed van heilige teksten, ook bij joden en christenen, ter discussie stelt. Abdelilah Ljamai reageert op zijn beurt op Hellingman, door te stellen dat een werkelijk substantiële en doorslaggevende invloed van deze heilige teksten tegenwoordig in twijfel kan worden getrokken. Humanist Gert Jan Geling komt tenslotte nog aan bod met zijn vertoog over de rol van overheden en samenleving ten aanzien van ex-moslims. Zijn bijdrage zou eerst worden opgenomen in een samen met Humanistisch Verbond gepland themadeel over het ‘recht op geloof én ongeloof’, maar dat project is dit jaar helaas (nog) niet rond gekomen.

 

Noot

Omdat deze wintereditie voor een groot deel in het teken staat van zijn afscheidsconferentie, en juist daardoor veel aandacht besteedt aan het werk van Harry Kunneman, is het redactioneel dit keer alleen opgesteld door Richard Brons.

 








Reacties op dit artikel:


Gerard Vennegoor
05 januari 2018 - 10:30


Ik zou een sterk vereenvoudigde en begrijpelijk artikel, een verhaal dat interesse opwekt, willen bepleiten.


Uw reactie, mening:
Vul het volgende veld niet in:
Naam:
Email:
Bericht:

Uw reactie is niet anoniem. Uw IP adres zal worden opgeslagen.