Waardenwerk
 Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze digitale nieuwsbrief en blijf op de hoogte!




| Meer
Rehabilitatie congres
[ advertenties ]




Amor Complexitatis - Bouwstenen voor een kritisch humanismeAmor Complexitatis: Harry Kunneman meent dat dit begrip een belangrijke wegwijzer biedt in het licht van de grote complexiteit en urgentie van de vragen waar wij mensen aan het begin van de eenentwintigste eeuw voor staan. In plaats van complexiteit in de houdgreep te nemen of weg te duwen, wijst amor complexitatis naar het beamen en omarmen van complexiteit: van onszelf, van anderen en van de wereld.
Afscheidsrede Harry KunnemanTer gelegenheid van het afscheid van Harry Kunneman als hoogleraar sociale en politieke theorie aan de UvH wordt op 5 oktober 2017 een afscheidssymposium georganiseerd in Utrecht. De inhoud van het symposium wijst niet alleen naar het verleden, maar ook naar de toekomst: de conferentie brengt een groot aantal denkers en doeners bij elkaar die verwantschap voelen met centrale thema’s uit zijn onderzoek en onderwijs, zoals kritisch humanisme, normatieve professionalisering, modus drie kennis en het ontwikkelen van moreel kapitaal in organisaties.
De wintereditie van Waardenwerk is zoals gebruikelijk een dubbelnummer met de omvang van een flink boekwerk. Een aanzienlijk deel van dit nummer bestaat uit bijdragen aan de afscheidsconferentie van Harry Kunneman als hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek op 5 oktober van dit jaar, met speciale aandacht voor het boek dat bij deze gelegenheid werd gepresenteerd: Amor complexitatis, deel 2 van ‘Bouwstenen voor een kritisch humanisme’.
Voordracht bij het afscheid van Harry Kunneman als hoogleraar van de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht 5 oktober 2017. F. Vosman
Ter gelegenheid van mijn afscheid als hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek richt ik mij in deze rede op de belangrijkste inhoudelijke inspiratiebron van deze jonge universiteit: het humanisme. Zoals de titel van mijn rede aangeeft, wil ik een pleidooi houden voor een radicalisering van het humanisme. In het licht van de grote vragen waar wij voor staan, zal ik u een nieuwe invulling voorleggen van humaniteit en menselijkheid, waarin humaniteit uitgebreid wordt voorbij de grenzen van de menselijke soort.
Het woord theorette heb ik van Geert van der Laan. Het was een jaar of tien geleden even populair. Letterlijk betekent het een kleine theorie. In de interpretaties gaat het eerder om een aanzet tot een theorie. Ik sluit bij die laatste betekenis aan. Ik tob al vrij lang met het begrip sociale rechtvaardigheid dat de centrale waarde in sociaal werk en sociaal beleid is en daar in mijn beleving een nogal molochiaans karakter kreeg.
Als je niet iedere dag in je ziel roert, dan vries je dicht- deze dichtregel van Gerrit Krol, door Harry Kunneman in Amor Complexitatis geciteerd in zijn artikel over Rutger Kopland, lijkt me perfect op de auteur zelf toepasbaar. Want als Kunneman’s vele boeken en artikelen van de laatste 30 jaar iets duidelijk maken dan is het wel dat hij theoretisch en praktisch constant aan het roeren was – in zichzelf, in anderen, in de humanistieke praktijk, en met name, in de filosofie en sociale theorie over de mens en zijn samenleven met andere menselijke en niet-menselijke diersoorten.
De in de boeken Amor Complexitatis (2017a) en Werken aan trage vragen (2017b) zichtbaar geworden intellectuele weg die Harry Kunneman de laatste jaren heeft bewandeld, is een poging om ons tijdsgewricht te denken en de toekomst vorm te geven. Wie zijn denken in dienst stelt van de verantwoordelijkheid voor de toekomst, beschouwt de eigen ontwikkelingsgang als een architectonisch wordingsproces dat geleidelijk zichtbaar maakt hoe de zich opstapelende intellectuele bouwstenen elkaar ondersteunen.
In de afgelopen jaren zijn de beperkingen van wetenschappelijk onderzoek steeds meer onder de publieke aandacht gekomen. Naast onmiskenbare voorbeelden van fraude, zoals in Nederland door Diederik Stapel, is ook duidelijk geworden dat veel op zichzelf deugdelijk onderzoek tijd nodig heeft om te rijpen, bijvoorbeeld doordat de experimenten herhaald worden door verschillende universiteiten en met verschillende proefpersonen of respondenten, om zo het ontstaan van tunnelvisie of vooringenomenheid (bias) te voorkomen.
Doortje Kal en Richard Brons waren de inleiders van een workshop Strijdigheid en Kwartiermaken – meer ruimte maken voor een ander verstaan? Perspectieven vanuit oa Jessica Benjamin en Judith Butler In deze workshop ging Richard Brons met zijn inleiding nader in op de stelling van Doortje Kal, dat strijdigheid nog steeds actueel is in kwartiermaken.
Toen ik in 1985 begon aan mijn studie psychologie aan de Rijksuniversiteit Leiden, waren mijn verwachtingen hooggespannen. In de laatste jaren van mijn middelbare school had ik deelgenomen aan psychologielessen die voor liefhebbers werden aangeboden. In die cursus passeerden de grote stromingen de revue: Freud, met zijn duistere beeld van de menselijke geest, Rogers, daarnaast en tegenover, met zijn optimistische kijk op de menselijke mogelijkheden, en Skinner ook, met een bijna totalitaire gedragstechnologie. Ik was geboeid.
‘Leermeester zijn is de mooiste roeping voor een ziel.’ Onderwijs heeft altijd behoord tot de dierbaarste en meest onmisbare voorzieningen van een maatschappij. Het is van meet af aan een antwoord op het streven van een samenleving naar zelfbehoud en vervolmaking. Dat streven werd op zijn beurt altijd gevoed door een bewuste of onbewuste zorg voor de toekomst van de jonge mensen, en daarmee voor de toekomst van de gemeenschap zelf. Zowel in geletterde als in ongeletterde culturen, zowel duizenden jaren geleden in de hoogontwikkelde beschavingen als tegenwoordig bij de volkeren die ver weg van de invloed van het industriële Westen leven, altijd en overal heeft de behoefte om te bewaren wat de gemeenschap in stand houdt, ten grondslag gelegen aan overdracht van kennis en cultuur.
Bildung en Erziehung zijn lastig te vertalen in het Nederlands, wat een van de redenen is waarom ik (soms) denk dat het goed is om de termen maar onvertaald te laten.[noot 2] Daarmee probeer ik een zeker Verfremdungseffekt te genereren, wat misschien kan helpen om nauwkeurig naar beide termen te blijven kijken. Met Bildung is dat in Nederland op dit moment niet echt meer mogelijk omdat de term bijna volledig lijkt te zijn geïncorporeerd in het Nederlandse onderwijsvocabulair. Erziehung heeft nog iets van vreemdheid behouden, wat werd bevestigd toen een aantal aanwezigen bij de sessie me na afloop vroegen welke woord ik precies had gebruikt.
Mede dankzij Jet Bussemaker, die in de lente van het jaar 2015 een oproep deed aan alle scholen om zich met Bildung bezig te houden, is Bildung een kwestie geworden waarover nog volop discussie woedt in de media. Deze discussie gaat mij aan het hart, maar tegelijk bekruipt mij al van begin af aan het onbehaaglijke gevoel dat hier sprake is van een hype die over niet al te lange tijd zal overwaaien. Wat hierbij een rol speelt is dat ‘Bildung’ een oriënterend begrip is dat moeilijk gedefinieerd –laat staan geoperationaliseerd- kan worden.
Het begrip Bildung vormt op dit moment voor velen in het Hoger Onderwijs opnieuw een inspiratiebron voor hervorming van het onderwijs. Dat geldt in het bijzonder voor de lerarenopleidingen, die zelfs door minister Bussemaker in 2015 werden opgeroepen meer aan Bildung te doen. Maar ook in andere HBO opleidingen - ik praat vanuit mijn ervaringen bij sociale opleidingen - is er de roep om meer Bildung om zo meer werk te maken van persoonlijke vorming en ontplooiing van de student.
In zijn Beelden van Organisatie (1986) liet Gareth Morgan overtuigend zien dat het denken over organisaties in zekere zin nooit origineel is. Onze beelden van organisaties, zo stelt Morgan, worden letterlijk ontleend aan bodies of knowledge die elders, dat wil zeggen buiten de organisatiekunde, zijn ontwikkeld. Morgan beschrijft hoe organisaties in de loop der jaren zijn voorgesteld als machines, als organismen, als psychische gevangenissen of als cultuur.
Met ingang van dit nummer starten we een nieuwe serie artikelen, gericht op een beter begrip van waardenwerk als vorm van praktisch-professioneel handelen. We doen dat aan de hand van ‘waarderende profielen’ van organisaties en professionals daarbinnen, die in onze ogen inspirerend en leerzaam worstelen met het in praktijk brengen van waardenwerk.
De keuze voor zingeving in een levensbeschouwelijk neutrale organisatie is niet vanzelfsprekend. NIM Maatschappelijk werk in Nijmegen maakte die keuze toch. Omdat NIM gelooft dat de kloof tussen zakelijke en economische principes enerzijds, en de menselijke maat anderzijds overbrugd kan worden, maakte het zingeving de basis van het strategisch beleid.
‘Een meewerkend netwerk is effectiever dan een briljante hulpverlener’, zo stellen Pieter Hilhorst en Jos van der Lans (2016) in een bijdrage in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken. Professionals blijken makkelijker in de stand van hulpverlener en probleemoplosser te schieten dan in de rol van netwerkorganisator. Als er iets moet gebeuren, dan wordt er geen netwerkanalyse gemaakt, maar wordt er gehandeld. Het inschakelen van het sociale netwerk blijft zo een papieren voornemen. In een interview legt Lilian Linders uit dat de nieuwe rol indruist tegen het motief waarom hulpverleners voor hun vak kiezen: willen helpen. Linders noemt het zelfs een identiteitscrisis.
Op 26 januari mocht ik een bijdrage geven aan het mini-symposium over Complexity in Education; From Horror to Passion. Aanleiding was de verschijning van het boek, waarin opbrengsten van vier jaar onderzoek door de UU/HU-onderzoeksgroep Normatieve Professionalisering (onder leiding van Cok Bakker) aan de buitenwereld werden gepresenteerd. Het onderstaande is een voor Waardenwerk bewerkte versie van mijn reactie op Complexity in Education; From Horror to Passion.
Tweeënhalf jaar geleden is er in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) Dr. S. van Mesdag een nieuwe afdeling opgericht voor patiënten die niet goed functioneren op een gangbare behandelafdeling. Dit zijn patiënten met zeer complexe problematiek. Bij deze patiënten spelen combinaties van onder andere verschillende persoonlijkheidsstoornissen, psychotische kwetsbaarheid, licht verstandelijke beperkingen en verslavingsproblematiek.
Er is al een tijd sprake van de identiteitscrisis die de globalisering in het Westen heeft veroorzaakt. In Amerika, maar toch vooral in Europa. Dat maakt dat ons (Europees) zelfbeeld wankelt, en dat zorgt voor onrust, frustratie en uiteindelijk woede. In zijn prachtige Age of Anger wijst de Brits-Indiase auteur Pankaj Mishra in dat verband op de kloof tussen wat elites prediken en wat ze waarmaken. En ja, er zijn machtsstructuren die bepaalde groepen bevoordelen, maar verheerlijking van het slachtofferschap is geen emancipatie. En vaak leidt die verheerlijking tot een perverse ‘wedloop’ – wie is het meeste slachtoffer?
De termen ‘flexibilisering’, ‘precariteit’ en ‘precariaat’ worden sinds de jaren negentig gehanteerd om de toenemende sociaaleconomische onzekerheid aan te duiden die is ontstaan sinds de opkomst van het neoliberalisme. De flexibilisering van de arbeidsmarkt heeft de persoonlijke vrijheid vergroot, maar heeft tegelijkertijd nieuwe vormen van afhankelijkheid en onzekerheid gecreëerd.
Mindfulness en haar bijdrage aan persoonsgerichte zorg belicht vanuit de beoefening van aikido. De samenleving is gevarieerd en volop in beweging; dit geldt ook voor de vragen en behoeften waar beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg op moeten inspelen. Een overkoepelend en generalistisch kenmerk is dat deze in staat zijn om met de complexiteit, diversiteit en voortdurende veranderingen in de samenleving en beroepspraktijk om te gaan. Om in aikidotermen te blijven: er komen voortdurend diverse ‘aanvallers’ op ons pad waartoe we ons moeten verhouden.
De vraag wat zorg tot goede zorg maakt, kan op allerlei verschillende manieren worden beantwoord. In heel de geschiedenis van het denken hebben filosofen en ethici gezocht naar sluitende theorieën die een ondubbelzinnig antwoord kunnen geven op de vraag wat een goed leven voor mensen inhoudt en wat voor handelen dat goede leven kan bevorderen. Al dat zoeken heeft niet geleid tot absolute antwoorden. Wel zijn er verschillende benaderingen uitgekomen die naast en met elkaar bepalend zijn geworden voor ons denken: over wat een moreel goed leven voor mensen bevordert en wat niet. En over criteria waaraan ons handelen kan worden beoordeeld in termen van goed en kwaad (Hartogh e.a., 2013).
Compassie staat in de belangstelling als waarde in de zorg. We noemen iets een waarde wanneer we het belangrijk vinden. Dat we compassie juist in de zorgverlening belangrijk vinden is niet vreemd wanneer je bedenkt dat de meeste zorgverleners voor een ander van betekenis willen zijn.
We leven in een tijdperk van grote veranderingen en als het zo is dat verandering de enige constante zal zijn in de toekomst, dan zullen wij als samenleving en als individu moeten leren leven en omgaan met gevoelens van onzekerheid als gevolg van deze permanente processen van verandering en evolutie.
Op 12 juni 2014 heeft staatssecretaris van Rijn in een brief aan de Tweede Kamer zijn zorgen geuit over de kwaliteit in verzorgings- en verpleeghuizen. Het rapport ‘Waardigheid en trots. Liefdevolle zorg voor onze ouderen’ (februari 2015) vloeide hieruit voort. In dit rapport wordt gesteld dat goede zorg voor ouderen in de verpleeghuizen draait om maximaal behoud van zelfrespect en kwaliteit van leven. Waardige zorg die aansluit bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt, met warme betrokkenheid van familie en naasten. Zorg ook die met plezier geleverd wordt door gemotiveerd personeel. Zorg waar eveneens sprake is van: (beroeps)trots.
Persoonsgerichte zorg richt zich op wat mensen nodig hebben om zich gezond en gelukkig te voelen. Niet de ziekte staat centraal, maar het mens-zijn, de relatie, de levenssituatie en de leefstijl. Voor de zorgverlener betekent dit een andere manier van werken. Het ziektebeeld is niet meer allesbepalend, er is nu ook nadrukkelijk aandacht voor de vragen en ervaringen van de patiënt. Dat vraagt van de zorgverlener om zich te verdiepen in de patiënt, in zijn of haar persoonskenmerken, leefdomeinen en leefstijl (Vlek, Driessen en Hassink, 2013).
Onderstaand artikel is een reactie op ‘Het debat tussen humanisme en islam binnen de westerse context’ van Dr. Abdelilah Ljamai in Waardenwerk nr. 69. Als het goed is, gaat het meer om een dialoog tussen levensovertuigingen dan een debat. Het woord ‘debat’ heeft teveel de connotatie van het twistgesprek dat we zo goed van het politieke debat kennen. Een probleem in die dialoog is de dreiging van oppervlakkigheid. Ik bedoel daarmee dat het (vrijwel) altijd gaat over wat er hier en nu aan de hand is, terwijl de levensovertuigingen wortels hebben die ver in het verleden liggen en in dikke boeken vastliggen.
Allereerst, wil ik Drs. Kees Hellingman bedanken voor zijn input en zijn inzichten met betrekking tot het herlezen van mijn bijdrage ‘Het debat over humanisme en islam binnen de westerse context’ verschenen in Humanistische Canon en in Waardenwerk, nr. 69. Ingegaan zal worden in deze reactie op religie en geweld, alsmede de betekenis van heiligheid binnen de drie monotheïstische godsdiensten.
De positie van afvallige moslims, ook wel ex-moslims genoemd, in onze samenleving is een onderwerp dat de laatste tijd steeds vaker de media haalt. Veelal in negatieve zin, aangezien de verhalen die we te lezen of te zien krijgen over het algemeen gaan over de problemen die ex-moslims in Nederland ondervinden bij het verlaten van hun geloof.