Waardenwerk
 Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze digitale nieuwsbrief en blijf op de hoogte!




| Meer
Rehabilitatie congres
[ advertenties ]




Voor u ligt een dik winternummer van Waardenwerk, dat een rijk palet aan artikelen en beschouwingen biedt, passend bij deze contemplatieve periode in het jaar. Voor wij daar nader op ingaan, informeren we u eerst over de nieuwe inbedding van Waardenwerk in het gelijknamige gezelschap.
Ik begin met een persoonlijke noot. Na de dood van mijn vorige echtgenote, zomer 2011, zocht ik wekenlang naar woorden die uitdrukking konden geven aan wat ik de dag van haar crematie en asverstrooiing ervaren had: een geliefde die er niet meer is, die nergens meer is, niet tastbaar, niet voelbaar. Je stelt een vraag en de stilte krijgt een klank van pijn en gemis. Een gekoesterd lichaam werd een laagje as op een strooiweide. Het waaide. ‘s Avonds nog begon het te regenen.
Nederlanders worden steeds ouder en blijven steeds langer gezond en actief. Hierdoor is het aandeel ouderen in de Nederlandse bevolking de laatste decennia sterk gestegen. Op dit moment is bijna 20% van de Nederlandse bevolking 65 jaar of ouder en dit aandeel zal de komende jaren nog verder toenemen (RIVM, 2015). Tegen deze achtergrond voert de overheid een beleid dat zelfstandig wonen voor ouderen stimuleert. De gedachte daarachter is dat zelfstandig wonen in een vertrouwde omgeving positief uitwerkt voor het welzijn van ouderen en bijdraagt aan een ‘goede’ oude dag (Van Dijk, 2015).
Forse bezuinigingen en stijgende bureaucratie in de GGZ blijven niet zonder gevolgen. De professional zit volgens velen in de knel. Hoe onder de toegenomen werkdruk naar eigen maatstaven nog goede zorg te bieden én deze volgens de geldende verzekeringsregels financieel vergoed te krijgen? Personen met complexe casuïstiek passen vaak niet in de gehanteerde systemen en moeten lang wachten op gespecialiseerde zorg. Laat staan dat professionals de ruimte hebben om bezig te zijn met het brede welzijn van de cliënten. ‘Doelmatig failliet’, zo noemde psychiater Jim van Os, het systeem van de geestelijke gezondheidszorg in Nederland onlangs in een aflevering van Zembla (20 april 2016). Personen met psychische aandoeningen zijn de dupe.
Al jaren is er sprake van onbehagen in de GGZ. Voor wie het wil weten is er veel wat niet goed gaat. Er is te veel aanbodsturing, grote onvrede met de uitkomsten, de iatrogene schade is te groot. En ook: de sector eet een steeds groter deel van het BNP op. De oplossingen die politiek, beleid en management voor dit probleem bedenken bevinden zich steeds binnen dezelfde parameters. De basisgedachte daarbij is dat de GGZ in de kern inhoudelijk op het goede spoor zit en eigenlijk heel toekomstbestendig is (‘wij doen al lang aan vraagsturing’). Er hoeft slechts hier wat bij en daar wat af, een paar verschuivingen in de subsystemen, geld er bij en klaar is Kees.
In ‘Participatie en Herstel’ verscheen in het juni nummer een beoordeling van de Nieuwe GGZ beweging door Ed van Hoorn met een aanvullend editoriaal en congresbespreking van Jos Dröes.
Wie graag wil nadenken over de toekomst, wil mopperen over hoe het nu gaat, ideeën heeft over de classificatie van aandoeningen, of juist tegen classificatie is, of graag zijn of haar filosofische behoeften wil bevredigen – het maakt niet uit: in de psychische gezondheidszorg1 en de psychiatrie kun je echt je hart ophalen. Er is weinig consensus, wel veel betrokken mensen, waar inmiddels ook naast psychiaters, psychologen, verpleegkundigen of sociaal werkers ook (ex)cliënten of -patiënten en naastbetrokkenen toe worden gerekend. Zoveel onenigheid gaat helaas gepaard met een weinig vaste koers, een continue stroom voorstellen om de structuur van de sector te wijzigen en dat versterkt ook de ‘slechte pers’ die de sector aankleeft.
De Geestelijke Gezondheidszorg (GGz) heeft momenteel de opdracht zich om te vormen tot een circuit waarin kostbare klinische zorg plaatsmaakt voor ambulante, wijkgerichte zorg. Een circuit waarin men minder patiënten opneemt, of patiënten korter opgenomen houdt, zal naar verwachting goedkoper zijn. De context van de beoogde veranderingen bestaat uit meerdere domeinen. Eén daarvan is duidelijk een financiële: de kostenstijgingen in de GGz die de invoering van marktprincipes met zich meebracht dienden tot staan gebracht te worden. Een ander domein betreft de oprechte visie dat psychiatrische behandeling notie dient te nemen van herstelprincipes en humane zorg dient te realiseren, zo min mogelijk stigmatiserend, en zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving (Couwenbergh, Weeghel, e.a., 2014).
In een reactie op het boek ‘Goede GGZ!’ van Delespaul e.a. (2016) pleit Ed van Hoorn (20106) niet alleen voor een bescheiden GGZ, een GGZ die zijn beperkingen kent, maar ook voor minder GGZ. De iatrogene schade als gevolg van geestelijke gezondheidszorg is in zijn ogen te groot en de remedie die Delespaul e.a. aandragen te klein om de ‘Nieuwe GGZ’ aan te merken als ‘Goede GGZ’.
Begin 2016 publiceerden de psychiaters Delespaul en Van Os, samen met drie collega’s, het uitdagende boek ‘Goede GGZ!’, waarin zij een tamelijk radicale koerswijziging voor het brede veld van de geestelijke gezondheidszorg bepleiten. Wij vinden dat deze prikkelende publicatie veel behartenswaardige voorstellen voor verbeteringen bevat, die in brede kring zou moeten worden besproken, al blijkt uit andere artikelen in dit tijdschrift dat lang niet iedereen daar zo over denkt.
Het kenniscentrum Duurzame HavenStad van Hogeschool Rotterdam heeft als belangrijkste taak om toegepast onderzoek aan de Hogeschool naar een hoger plan te tillen, waarbij de aandacht voornamelijk uitgaat naar de inzet van vernieuwende technologie in de Rotterdamse stad en haven, en algemener, de Nederlandse delta. Met in het achterhoofd een ontwikkeling waarin veertig procent van de wereldbevolking momenteel binnen 200 km van een kustlijn woont, hetgeen in 2050 tot 60 procent zal zijn toegenomen (‘UN Atlas of the Oceans – Press Release’, n.d.), is de Nederlandse delta bij uitstek een ideale locatie voor experimenten met de slimme omgang met water. Dit krijgt in het licht van een rijzende zeespiegel en globale opwarming ook een urgent karakter ( Jonkman, 2012; Topsector Water, 2015).
De afgelopen decennia is de relatie tussen zorgverlener en zorgontvanger op allerlei manieren veranderd. Veranderende zorgsystemen met hun regelgeving en protocollering dringen door tot in de spreekkamer en tot aan het (ziekenhuis)bed. De verregaande technologisering in de zorg verandert niet alleen diagnostiek en behandeling van ziekten, maar ook de relatie en communicatie tussen zorgverleners en patiënten.
De afgelopen jaren heeft in het Onderzoeksnetwerk Normatieve Professionalisering onder de bezielende leiding van Harry Kunneman en Hans van Ewijk een bezinning plaatsgevonden op funderende teksten voor de traditie van normatieve professionalisering. Dit artikel is ontstaan naar aanleiding van de bespreking van enkele teksten van Donald Schön over de reflectieve praktijkwerker. Het is niet moeilijk aan te tonen dat het gedachtegoed van Schön een belangrijke inspiratiebron is geweest en gebleven voor normatieve professionalisering; tegelijk blijft het concept van de reflectieve praktijkwerker een belangrijke uitdaging om met name de pragmatische aspecten van professionele praktijken volledig recht te doen.
Wat kenmerkt een goede arts, en wat is er nodig om studenten en co-assistenten tot goede artsen op te leiden? Sinds 2010 leidt Kiki Lombarts de onderzoeksgroep ‘Professional Performance’ in het AMC, die zich met deze vragen bezighoudt. De onderzoeksgroep richt zich op het goed (kunnen) functioneren van medisch specialisten, zowel in hun rol van arts als opleider. In het onderzoek wordt geprobeerd de relatie tussen de kwaliteit van de medisch specialistische vervolgopleiding en patiëntenzorg beter te begrijpen, en via evaluatiesystemen bij te dragen aan evidence based kwaliteitszorg van opleiding en patiëntenzorg.
Zorgverleners werken zowel vanuit hun professionele standaarden met de nadruk op evidence en generaliseerbaarheid als ook vanuit hun unieke persoonlijke ervaring. In dit artikel belicht ik hun ervaringen die verbonden zijn met waarden. Ik laat zien dat zorgverleners in de contacten met hun patiënten waarde-ervaringen verkrijgen als zij ervoor ontvankelijk (willen) zijn. Door hun ontvankelijkheid te erkennen opent zich voor hen het gebied van betekenis en zin. Dit is voor henzelf van groot belang. Het voedt bovendien hun intrinsieke motivatie en leidt ertoe dat standaarden in de zorg individueel, verantwoordelijk en menswaardig gehanteerd kunnen worden.
Als je aandacht voor iets hebt, observeer je de omgeving gericht. Aandachtig zijn doe je door waar te nemen en te interpreteren. Je ziet iets als iets. Je ziet iets ronds bijvoorbeeld als een bal. Of als een ballon. Of als de buik van een zwangere vriendin. Wat je ziet is niet statisch; het is betekenisvol en daarom een interpretatie van wat zich voordoet. Je aandacht voor de ballon hangt samen met het begrijpen dat wat je ziet een ballon is. Wat je voelt, speelt ook een rol in aandacht. Je aandacht voor de buik van je zwangere vriendin hangt bijvoorbeeld samen met de vreugde over het feit dat zij een kind verwacht.
In het verlengde van mijn boek ‘Bezieling: filosofie van het georganiseerde leven’ ga ik in dit artikel diep in op de belangrijke rol die macht speelt in organisaties. Hoe staat het met deze macht en hoe verhoudt macht zich tot menselijke vrijheid?
De spanningen en conflicten in onze maatschappij vragen meer dan alleen maar dialogisch communiceren. De verschillen en tegenstellingen zijn te groot daarvoor. Open gesprekken met hoop op consensus kunnen geen recht doen aan de felheid van niet op te heffen tegenspraak. Tegenstellingen in visies en belangen laten zich niet zo maar inkapselen in ontmoetingen en open gesprekken. Vechtende partijen zullen hun gevechten willen voeren, waar het om gaat is hoe die gevechten worden gevoerd.
Potloden tegen kalasnikovs, pennen tegen machinegeweren, ze drukken de essentie uit waar het Nico Koning, mijn mede-auteur en mij om ging in De kunst van het vreedzaam vechten. In veel commentaren op de aanslagen in Parijs herkende ik onze centrale ideeën en begrippen. ‘Wij vechten terug, maar wel op onze manier’, luidde bijvoorbeeld de kop boven het redactionele commentaar van De Volkskrant. De pennen en potloden zijn onze wapens, was de boodschap. ‘Waar jullie machinegeweren leegschieten op weerlozen, antwoorden wij door principieel vast te houden aan onze achting voor het woord, het enige juiste middel om conflicten op te lossen’. Dit soort gevecht moet overal in de publieke ruimte plaats vinden.
Milieuproblemen (emissies), klimaat verandering, dieren welzijn, extreem overgewicht, honger en ondervoeding, sterk veranderende voedselprijzen, dat zijn de problemen waar ieder voedselproductie systeem mee wordt geconfronteerd. In Nederland krijgen sommige van deze problemen een schrijnender betekenis door de plaats die Nederland inneemt in Europa als een van de grootste voedselproductie landen. Er zijn verschillende manieren waarop voedselproductiesystemen (conventioneel, biologisch, agroecologisch) met deze kwesties omgaan, en zij hebben verschillende gevolgen en krijgen verschillende waarderingen.
2016 is ‘International year of pulses’, internationaal jaar van de peulvruchten. De organisatie voor voedsel en landbouw van de Verenigde Naties (FAO) vraagt daarmee onze aandacht en nieuwe waardering voor een oude bron van gezonde en duurzame voeding. Dat doel is voor een flink deel gekoppeld aan de afnemende reputatie van vlees. Wat een paar decennia terug alom werd gezien als het toppunt van goede en gezonde voeding (‘Vlees mevrouw, u weet wel waarom’) wordt nu steeds meer geassocieerd met ellende voor dieren, voor de aarde en zelfs voor onze gezondheid.
Ik zal hier betogen dat de opvatting ‘honger maakt rauwe bonen zoet’ juist één van de meest desastreuze vooroordelen over honger is. Want niets is minder waar. Honger kan zelfs een gevolg zijn van de weigering bepaalde voedingsmiddelen niet te eten, omdat die niet stroken met een specifieke voedingsstijl. Weigering is eigenlijk niet het goede woord; want die uitgesloten voedingsmiddelen worden vaak niet eens gezien als voedingsmiddelen.
Ruimtevaarder Wubbo Ockels heeft zich lang ingezet als pleitbezorger van duurzame ontwikkeling. Vlak voor zijn overlijden in 2014 schreef hij een open brief (Ockels 2014). Daarin spreekt hij zich nog eenmaal uit voor een andere houding ten opzichte van de aarde. Ockels bepleit de ontwikkeling van een nieuwe religie die alle mensen verbindt. Hij noemt dit de ‘Happy Energy religie’.
Wat kan ‘Muzische Professionalisering’ bijdragen aan de praktijk van de toekomstig docent en opleider in de context van onderwijsvernieuwing? In het rapport Onderwijs 20321, in de dynamiek rond de 21th century skills2 en in de hernieuwde aandacht voor het begrip Bildung in het onderwijs komen drie kwaliteiten van toekomstige professionals telkens terug: samenwerken over de grenzen van disciplines heen, een onderzoekende houding en nieuwsgierigheid en creativiteit. Hoe gaat de huidig en toekomstig docent daar richting aan geven? Bart van Rosmalen nodigt in dit artikel drie stemmen uit om in het handelen van de professional meer van zich te laten horen.
In 1943 publiceerde Johan Huizinga een korte verhandeling onder de titel ‘Over vormverandering der geschiedenis’ – een getuigenis over zijn groeiende pessimisme over wat hij ziet als de dreigende ontmanteling en verwoesting van de Europese normen en cultuur. Hoe actueel. Huizinga stelt dat je veel over een tijd kunt zeggen door te kijken naar hoe men zijn geschiedenis schrijft – de vorm en verbeeldingskracht waarmee die tot stand komt. Geschiedenis is, stelt Huizinga, de geestelijke vorm, waarin een cultuur ‘zich rekenschap geeft van haar verleden’. Het belangrijkste doel van geschiedenis is om licht te werpen op en duidelijkheid te krijgen over het heden.