Waardenwerk
 Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze digitale nieuwsbrief en blijf op de hoogte!




| Meer
Rehabilitatie congres
[ advertenties ]




In dit zomernummer van Waardenwerk staan vier thema’s centraal die alle vier het belang onderstrepen van waardenwerk als vorm van praktisch handelen, maar ook het trage karakter zichtbaar maken van de vragen en leerprocessen waar waardenwerk op gericht is.
Als theoloog verdiepte ik me tijdens mijn studie in de klassieke filosofie en studeerde af op Hegel, de kritische theorie en kritische theologie. Mijn gedachtegoed was doordrenkt van tegenstellingen, tussen systeemwereld en leefwereld, rechts en links, arbeiders en kapitalisten, gevoed door de hoop dat dialectiek en dialoog (Buber) de mensheid voort zouden drijven naar een betere wereld.
De Canadese filosoof Joseph Carens vroeg zich af: ‘Wat zijn de meest gehoorde argumenten tegen immigratie en hoe verhouden die zich tot onze eigen politieke principes van burgerschap?’ Ik herhaal Carens gedachte-experiment, zij het in versimpelde vorm en toegepast op vluchtelingen, om te zien waar ons dat brengt. Mijn conclusie is: als we trouw zouden zijn aan onze eigen liberale principes, zou dit tot de verplichting leiden om onze grenzen verder open te zetten dan we nu doen. De vraag moet niet zijn hoe we vluchtelingen buiten de deur houden, maar hoe we goed met vluchtelingen om kunnen gaan.
De vluchteling bestaat net zo min als de Nederlander. Maar de vluchtelingen die hun weg naar West-Europa vinden delen wel veel ervaringen. Anders dan de meeste migranten hebben zij veelal niet bewust gekozen voor Nederland als land van aankomst. Een haastig vertrek uit een oorlogsgebied en de dreiging van geweld of vervolging bieden zelden ruimte voor gedegen voorbereiding op leven in een nieuwe samenleving. Die nieuwe wereld is dan ook in veel opzichten volstrekt onbekend.
Younis (33) vluchtte in 2002 uit Zuid-Sudan. Hij leefde jarenlang zonder papieren in Nederland, tot hij in 2013 een permanente verblijfsvergunning kreeg. In zijn woning in Amsterdam vangt hij nu zelf mensen zonder verblijfsvergunning op.
Het huis van Marianne (54) uit Emmen zit altijd vol met asielzoekers. Jonge jongens, die als alleenstaande minderjarige asielzoeker nog opvang van de overheid krijgen, maar op hun 18e op straat komen te staan. Soms heeft ze er wel tien tegelijk in huis. Haar dochter van 22 woont deels bij haar, en deels met haar man in Duitsland.
‘Soms blijken slepende discussies achterhaald voor je er erg in hebt’. Zo begon Louise Fresco, voorzitter van de Raad van Bestuur van Wageningen UR, haar column in NRC Handelsblad van 13 januari 2016. Het onderwerp van haar bespiegeling: genetische modificatie. Kennelijk had ik iets belangrijks gemist. Ik wist niet beter dan dat het debat over agrarische biotechnologie getekend is door schier onoverbrugbare tegenstellingen.
Niet zo lang geleden zou niemand zich druk hebben gemaakt om een zaadje te planten zonder toestemming te vragen aan ‘de eigenaar’. Tegenwoordig krijg ik soms vragen van studenten met een moestuintje of ze wel zaadgoed kunnen herplanten zonder problemen te krijgen met Monsanto, de multinational die wellicht een patent heeft op de bonen of sla die ze verbouwen. Iets verderop in Brussel of Geneve zitten er honderden mensen in een zaaltje tot ver na middernacht te onderhandelen over de vergoeding die ontwikkelingslanden zouden moeten krijgen voor het gebruik van hun biodiversiteit. De juridische en ethische vragen rond eigendomsrechten op zaadgoed zijn niet alleen erg complex, maar ook zeer gevoelig en controversieel. Alleen de zaadjes zelf trekken zich er niets van aan.
Een pak rijst, een bloemkool, een kilo aardappelen zien er zo simpel uit: je koopt ze in de winkel, kookt ze enkele minuten en legt ze op je bord. Maar de processen die de rijst, bloemkool of aardappel die je koopt tot resultaat hebben, daar gaat het ethisch gezien om. De Big Mac, plof kip, aardappel en grapefruit hebben hun landschappen met heel bepaalde dieren, boeren en consumenten, hier en nu, en heel ver weg en straks. Het is inherent onderdeel van de vervreemding tussen westerse mensen en hun voeding dat deze consequenties vaak niet worden meegenomen.
Niemand beweert dat Europese leiders het volk weer voorbereiden op een oorlog. Maar het thema van de angst en wat die angst met mensen doet als ze er door worden gegrepen, is nooit uit de tijd. Dit gaat over de condition humaine. Angst disciplineert. Tot op bepaalde hoogte.
Door de transformatie van de verzorgingsstaat ontstaan er ‘lokale staten van zorg’. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor ‘hun’ bestel zorg en welzijn dat zij vorm moeten geven op grond van de decentralisatiewetten, in het bijzonder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). In dit artikel beargumenteer ik dat een op Appreciative Inquiry gebaseerde waarderende benadering een passend handelingskader biedt voor het inrichten van het bestel. Een waarderende benadering past bij de maatschappelijke beweging naar horizontaliteit. Door haar aard genereert zij betrokkenheid en gemeenschappelijkheid bij het ontwerpen van een toekomst vanuit idealen.
In 2014 treed ik toe tot de WMO-adviesraad van de gemeente IJsselstein, met als aandachtsgebied jeugd. De rol van de WMOadviesraad is het college gevraagd en ongevraagd te adviseren over de uitvoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), de Jeugdwet en de Participatiewet. De voorbereidingen betreffende deze drie decentralisaties zijn reeds in volle gang. Alhoewel mijn primaire interesse jeugd is, kijk ik al snel naar het veranderproces als geheel.
De regering wil met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) de mogelijkheden beter benutten voor het bieden van passende ondersteuning aan mensen in hun eigen leefomgeving door hun sociale netwerk of met behulp van gemeentelijke voorzieningen in hun nabijheid. Ze wil zodoende het automatisme doorbreken dat ingezetenen zich bij elke hulpvraag tot de overheid wenden. Vrijwilligerszorg sluit in de ogen van Van der Vet zoals gezegd naadloos hierbij aan. Van der Vet is uit op een positie van vrijwilligerszorg in het lokale bestel die haar eigenheid garandeert, mede als bescherming tegen dreigende formalisering en instrumentalisering.
Wat een lerarenopleiding nadrukkelijk onderscheidt van een opleiding tot bijvoorbeeld architect, fysicus of webdesigner, is dat al haar studenten ruime ervaring hebben opgedaan met leraren en onderwijs nog voordat zij een voet gezet hebben binnen de opleiding. Bij aanvang van de studie beschikt iedere student aan een lerarenopleiding, daartoe verplicht door de wet, over minimaal twaalf jaar ervaring binnen het onderwijs. Dit maakt dat iedere student al dan niet bewuste, levensechte beelden bij en ervaringen met het beroep heeft waarin hij of zij zich nu professioneel wil bekwamen.
Leraarschap veronderstelt een relationele, intermenselijke en daardoor per definitie waardegeoriënteerde verhouding tot de leerling. Daarin schuilt de normatief-reflexieve kern van het leraarschap. De gangbare onderwijs- en opleidingspraktijken worden echter gekenmerkt door een technische visie op onderwijs. Het onderwijs in het algemeen en opleidingsonderwijs in het bijzonder zijn de afgelopen tijd steeds meer gedefinieerd in termen van ruilwaarde en opbrengsten en van de berekenbaarheid en toetsbaarheid van die opbrengsten, omdat de kenniseconomie hierom zou vragen. Kennis is zo de belangrijkste productiefactor van de economie geworden.